Europese Commissie > EJN > Verkrijging van bewijs en bewijsvoering > Oostenrijk

Laatste aanpassing: 24-05-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Oostenrijk

 

INHOUDSOPGAVE

I. Bewijslast I.
1.
a) Hoe is de bewijslast geregeld? a)
b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Kunnen vermoedens door bewijzen worden weerlegd? b)
2. In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren? 2.
II. Het verkrijgen van bewijzen II.
3. Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter ook ambtshalve bewijs verkrijgen? 3.
4.
a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan? a)
b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen? b)
5.
a) Welke bewijsmiddelen bestaan er? a)
b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten? b)
c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere? c)
d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht? d)
6.
a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen? a)
b) In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht? b)
c) Kan een persoon die weigert te getuigen gestraft worden of gedwongen worden te getuigen? c)
d) Zijn er volgens het Oostenrijkse recht personen die niet mogen getuigen? d)
7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord met behulp van nieuwe technologieën zoals televisie of videoconferencing? 7.
III. De waardering van het bewijs III.
8. Bestaat er een verbod op het gebruik van een bewijs dat door een partij onrechtmatig is verkregen? 8.
9. Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs? 9.

 

I. Bewijslast

1.

a) Hoe is de bewijslast geregeld?

In beginsel moet iedere partij alle feiten die voor de onderbouwing van haar eis noodzakelijk zijn, naar voren brengen (Behauptungslast) en de bewijzen daarvoor aanvoeren (§ 226, lid 1, en § 243, lid 2, ZPO (Zivilprozessordnung - Oostenrijks wetboek van burgerlijke rechtsvordering)). Indien er onduidelijkheid over de feiten blijft bestaan (zogenoemde "non liquet"-situatie), moet de rechtbank toch een oordeel vellen. In dat geval zijn de regels inzake de bewijslast van toepassing. Iedere partij dient te bewijzen dat aan alle feitelijke voorwaarden voor de voor haar gunstige rechtsnorm is voldaan. Normaal gesproken moet de eiser de feiten naar voren brengen die zijn vordering onderbouwen en de gedaagde de feiten die zijn verweer rechtvaardigen. Daarnaast rust op de eiser ook de bewijslast van de ontvankelijkheid van de eis.

b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Kunnen vermoedens door bewijzen worden weerlegd?

Feiten die relevant zijn voor de beslissing moeten worden bewezen, tenzij er voor die feiten geen bewijslast geldt. Geen bewijs behoeven erkende feiten (§ 266, § 267 ZPO), feiten van algemene bekendheid (§ 269 ZPO) en wettelijke vermoedens (§ 270 ZPO).

Men spreekt van een erkend feit wanneer een partij heeft toegegeven dat een feitelijke bewering van de wederpartij juist is. De rechtbank dient erkende feiten in beginsel als waar aan te nemen en zonder toetsing aan de beslissing ten grondslag te leggen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Er is sprake van een feit van algemene bekendheid wanneer het feit hetzij algemeen bekend is (d.w.z. bij een willekeurig aantal mensen bekend of zonder problemen op ieder moment voor iedereen waarneembaar), hetzij bekend is bij de rechtbank (d.w.z. dat het feit bij de beslissende rechter ambtshalve uit eigen waarneming bekend is of zonder meer uit de stukken blijkt).

De rechtbank moet feiten van algemene bekendheid ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen; ze hoeven noch te worden aangedragen noch te worden bewezen.

Het wettelijke vermoeden vloeit rechtstreeks voort uit de wet en leidt tot een omkering van de bewijslast: de wederpartij van de bevoordeelde moet het bewijs van het tegendeel leveren. Hij moet bewijzen dat ondanks het feit dat de basis van het wettelijke vermoeden aanwezig is, het vermoede feit of de vermoede rechtstoestand zich niet heeft voorgedaan.

2. In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Doel van de gerechtelijke procedure is om de rechter van een feit te overtuigen. In de regel moet een "hoge graad van waarschijnlijkheid" worden aangenomen, "absolute zekerheid" is voor het overtuigen van de rechtbank niet noodzakelijk.

Zowel de wet als de jurisprudentie kennen gradaties van deze bewijsnorm, waardoor de "reguliere bewijsnorm" hetzij wordt verhoogd tot "een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid", hetzij wordt teruggebracht tot "een behoorlijke waarschijnlijkheid" (bijvoorbeeld § 138, lid 1, of § 163, lid 1, ABGB (Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch - Oostenrijks burgerlijk wetboek). In het laatste geval volstaat als bewijsnorm volgens het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de aannemelijkheid (Glaubhaftmachung of Bescheinigung) (§ 274 ZPO). Ook het zogenoemde Anscheinsbeweis (prima facie-bewijs) leidt tot een verlaging van de bewijsnorm en speelt een rol bij moeilijk te bewijzen feiten in schadevergoedingsprocedures. Indien sprake is van een typisch verloop dat op grond van algemene ervaringsregels duidt op een bepaald causaal verband of een schuld, dan gelden deze feitelijke vermoedens ook in het concrete geval als prima facie-bewijs.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

II. Het verkrijgen van bewijzen

3. Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter ook ambtshalve bewijs verkrijgen?

Het verkrijgen van bewijs kan ambtshalve of op verzoek van een partij plaatsvinden. In procedures die uitsluitend het inquisitieprincipe als uitgangspunt hebben (de rechtbank dient ambtshalve de feiten die voor de beslissing relevant zijn vast te stellen) hoeven partijen geen bewijsaanbod te doen. In de reguliere procedure van de Oostenrijkse burgerlijke rechtsvordering kan de rechter ambtshalve alle bewijsmiddelen verzamelen die naar verwachting opheldering zullen verschaffen over relevante feiten (§ 183 ZPO). De rechter kan partijen opdragen akten over te leggen, een gerechtelijke plaatsopneming bevelen, een beoordeling door deskundigen of het verhoor van partijen gelasten. Het overleggen van akten kan echter alleen worden opgedragen, wanneer ten minste een van de partijen zich daarop heeft beroepen; het verkrijgen van schriftelijk bewijs of het horen van getuigen mag niet plaatsvinden, indien beide partijen zich daartegen uitspreken. In alle andere gevallen wordt bewijs verkregen op grond van het bewijsaanbod van een partij.

4.

a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De bewijsverkrijging gebeurt in beginsel tijdens de terechtzitting. In het kader van de zogenoemde "vorbereitende Tagsatzung" (voorbereidende zitting) (§ 258 ZPO) wordt door de rechtbank en de partijen of hun vertegenwoordigers samen een programma voor het proces opgesteld, dat ook een programma voor de bewijsverkrijging bevat. Op verzoek kan echter te allen tijde een volgende bespreking aan het verdere verloop van het proces worden gewijd. Nadat het bewijs is verkregen, wordt het resultaat met de partijen besproken (§ 278 ZPO). Het bewijs dient in beginsel zonder tussenkomst te worden vergaard door de rechter die de beslissing in de zaak zal nemen. In de gevallen die door de wet uitdrukkelijk zijn geregeld, is bewijsverkrijging in rogatoire commissie mogelijk. De partijen moeten voor de bewijsverkrijging worden opgeroepen en hebben verschillende rechten om aan de bewijsverkrijging mee te werken, zoals het recht om vragen te stellen aan getuigen of deskundigen. De bewijsverkrijging geschiedt altijd ambtshalve en vindt in principe ook plaats wanneer de partijen (ondanks dagvaarding) niet aanwezig zijn.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een bewijsaanbod dient te worden afgewezen, wanneer de rechtbank het irrelevant acht (§ 275 ZPO) of wanneer het bewijsaanbod wordt gedaan met het oogmerk om het proces te vertragen (§ 275 en § 278 ZPO). Voorts bestaat de mogelijkheid om de verkrijging van een bewijs aan een termijn te binden, indien het zich laat aanzien dat het proces erdoor wordt vertraagd (§ 279 ZPO); nadat de termijn is verstreken, kan het bewijsaanbod worden afgewezen. Het bewijsaanbod kan ook worden afgewezen wanneer de verkrijging van het bewijs niet noodzakelijk is, omdat de rechter reeds overtuigd is of het feit geen bewijs behoeft. Tot slot kan het aanbod ook worden afgewezen, omdat er een verbod op bewijsverkrijging bestaat. Indien het verkrijgen van een bewijs leidt tot kosten (bijvoorbeeld een deskundigenbewijs), moet van de partij die het bewijsaanbod doet, een voorschot worden verlangd. Indien dit voorschot niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, kan het bewijs alleen alsnog worden geleverd, wanneer dat niet leidt tot een vertraging van het proces.

5.

a) Welke bewijsmiddelen bestaan er?

Volgens het Oostenrijkse wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan bewijs worden verkregen met behulp van de vijf "klassieke" bewijsmiddelen: schriftelijk bewijs (§ 292 tot en met § 319), getuigen (§ 320 tot en met § 350), deskundigen (§ 351 tot en met § 367), gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging (§ 368 tot en met § 370) en het verhoor van partijen (§ 371 tot en met § 383). In beginsel kunnen alle kennisbronnen als bewijsmiddel worden toegelaten; al naar gelang hun vorm gelden hiervoor de bepalingen met betrekking tot een van de genoemde bewijsmiddelen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten?

Iedere getuige wordt buiten tegenwoordigheid van de later te horen getuigen verhoord. Daardoor wordt voorkomen dat de getuigen elkaar door hun verklaringen beïnvloeden. Getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd. Het getuigenverhoor begint met informatieve vragen, waarbij een eventueel onvermogen om te getuigen (Zeugnisunfähigkeit), de aanwezigheid van een reden voor verschoning of een belemmering voor het afleggen van de eed kan worden vastgesteld. Nadat de getuige is aangemaand de waarheid te zeggen, waarbij hij wordt gewezen op de strafrechtelijke gevolgen van een valse verklaring, begint het eigenlijke verhoor met vragen over de persoonsgegevens van de getuige. Daarna volgen vragen over de zaak zelf. Partijen kunnen aan het getuigenverhoor deelnemen en met toestemming van de rechtbank vragen stellen aan de getuige. De rechter kan ongepaste vragen afwijzen. Getuigen dienen in beginsel direct door de beslissende rechter te worden gehoord. Onder bepaalde omstandigheden is echter ook rogatoire commissie mogelijk (§ 328 ZPO).

De deskundige is een "helper" van de rechtbank. Terwijl de getuige een verklaring aflegt over waarnemingen van feiten, helpt de deskundige de rechter aan vakkennis die deze niet kan bezitten. Het deskundigenbewijs dient in beginsel direct door de beslissende rechter te worden verkregen. Raadpleging van een deskundige kan zonder voorbehoud ook ambtshalve geschieden. De deskundige is verplicht verslag uit te brengen van zijn bevindingen en conclusies. Een mondeling verslag dient door de deskundige ter terechtzitting te worden uitgebracht. Schriftelijke verslagen moeten op verzoek van een der partijen ter terechtzitting door de deskundige worden toegelicht. De bevindingen en conclusies moeten worden onderbouwd. Verslagen die in opdracht van een partij zijn opgesteld (private Gutachten) zijn geen deskundigenrapporten in de zin van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Ze hebben dezelfde status als een onderhandse akte.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een zuiver schriftelijke procedure is volgens het Oostenrijkse recht niet toegestaan. Aangezien de bewijsmiddelen echter op geen enkele wijze aan beperkingen onderhevig zijn, is het op zich mogelijk om een getuigenverklaring schriftelijk voor te leggen. Een dergelijk bewijsmiddel moet echter als schriftelijk bewijs worden aangemerkt en de waardering ervan is aan het oordeel van de rechter overgelaten. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht, moet de getuige echter voor de rechtbank verschijnen, tenzij beide partijen zich tegen het horen van die getuige verzetten.

c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere?

Uitgangspunt is het beginsel van de "vrije bewijswaardering" (§ 272 ZPO). Onder bewijswaardering wordt verstaan dat de rechter de resultaten van de bewijsverkrijging beoordeelt. Bij deze beoordeling is de rechter niet aan wettelijke bewijsregels gebonden; hij moet naar eigen inzicht beoordelen of de partij in het bewijs is geslaagd of niet. Er bestaat geen hiërarchie tussen de bewijsmiddelen. Schriftelijke bewijzen vallen onder het begrip "Urkundsbeweis", tenzij het om een deskundigenrapport gaat. Binnenlandse authentieke akten hebben het vermoeden van echtheid, dat wil zeggen het vermoeden dat ze daadwerkelijk afkomstig zijn van degene die als ondertekenaar staat vermeld. Ze leveren voorts dwingend bewijs op van de juistheid van de inhoud. Onderhandse akten leveren, indien ze zijn ondertekend, dwingend bewijs op van het feit dat de daarin opgenomen verklaringen afkomstig zijn van degene die de handtekening heeft geplaatst. De beoordeling van de inhoudelijke juistheid ervan wordt telkens aan de rechter overgelaten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Het Oostenrijkse wetboek van burgerlijke rechtsvordering noemt geen gevallen waarin een bepaald bewijsmiddel verplicht is. De keuze van het bewijsmiddel staat los van de hoogte van de vordering.

6.

a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Getuigen zijn verplicht voor de rechtbank te verschijnen, getuigenis af te leggen en desgevraagd de eed af te leggen. Indien een op wettige wijze opgeroepen getuige niet op de terechtzitting verschijnt en daarvoor onvoldoende redenen aanvoert, dient de rechtbank eerst een boete op te leggen. Wanneer de getuige opnieuw niet verschijnt, dient de rechter te bevelen dat de getuige door de openbare macht voor hem wordt gebracht. Indien de getuige weigert een verklaring af te leggen zonder daarvoor een gegronde reden aan te voeren, kan hij tot een verklaring worden gedwongen. Wie voor de rechtbank een valse verklaring aflegt, wordt strafrechtelijk vervolgd.

b) In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Indien een grond voor verschoning aanwezig is (§ 321 ZPO), heeft de getuige het recht een vraag of bepaalde vragen niet te beantwoorden. Een algemeen verschoningsrecht bestaat niet. Gronden voor verschoning zijn oneer of het gevaar van strafrechtelijke vervolging voor de getuige zelf of voor diens naaste betrekkingen, een direct vermogensrechtelijk nadeel voor dezelfde personen, een van staatswege erkende plicht tot geheimhouding, het gevaar om een vak- of bedrijfsgeheim (Kunst- oder Geschäftsgeheimnisse) prijs te geven en de uitoefening van een door de wet erkend geheim kies- of stemrecht. De rechtbank moet de getuige vóór het verhoor over deze gronden informeren. Indien de getuige zich op een verschoningsrecht wil beroepen, moet hij de redenen daarvoor aangeven.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

c) Kan een persoon die weigert te getuigen gestraft worden of gedwongen worden te getuigen?

De rechtbank oordeelt bij beschikking over de rechtmatigheid van de weigering om te getuigen. Als de getuige zonder opgaaf van redenen of om redenen die door de rechtbank als ongegrond worden aangemerkt, weigert te getuigen, kan hij tot het afleggen van een verklaring worden gedwongen (§ 354 EO - Exekutionsordnung - Oostenrijkse wet inzake de tenuitvoerlegging van door de gewone rechterlijke instanties gegeven rechterlijke beslissingen). Als dwangmiddelen komen geldboeten en in beperkte mate vrijheidsstraffen in aanmerking. De getuige kan voorts door de partijen aansprakelijk worden gesteld voor alle door de ongerechtvaardigde weigering veroorzaakte schade.

d) Zijn er volgens het Oostenrijkse recht personen die niet mogen getuigen?

Personen die niet in staat waren of zijn om de te bewijzen feiten waar te nemen of hun waarnemingen mee te delen, kunnen niet als getuige optreden. Men spreekt hierbij van een "absoluut" fysiek onvermogen om te getuigen (§ 320, sub 1, ZPO). Bij geesteszieken, minderjarigen e.d. moet derhalve per geval worden beslist of er al dan niet sprake is van een onvermogen om te getuigen. Voorts zijn er drie categorieën van personen met een "relatief" onvermogen om te getuigen (§ 320, sub 2 tot en met sub 4, ZPO), namelijk: geestelijken omtrent hetgeen hun in de biecht of in het kader van hun ambtsuitoefening is toevertrouwd, overheidsambtenaren in het kader van de geheimhoudingsplicht, tenzij ze daarvan waren ontheven, en mediators omtrent hetgeen hun in bepaalde procedures is toevertrouwd of anderszins ter kennis is gekomen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord met behulp van nieuwe technologieën zoals televisie of videoconferencing?

De rechtbank dient de getuige te ondervragen over de feiten die door zijn verklaring moeten worden bewezen en over omstandigheden waarop de getuige zijn kennis baseert. De partijen kunnen aan het getuigenverhoor deelnemen en met toestemming van de rechtbank de getuige vragen stellen ter verduidelijking of completering van diens verklaring. De rechter kan ongepaste vragen afwijzen. Van de verklaring van de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt dat de essentie van de verklaring verwoordt en indien nodig de verklaring ook letterlijk weergeeft (zie ook punt 5.b). Beeld- en geluidsdragers en de daarop opgeslagen gegevens gelden in de regel als objecten voor plaatsopneming. Het verkrijgen van bewijs door plaatsopneming geschiedt doordat de rechter zich via directe zintuiglijke waarneming op de hoogte stelt van de eigenschappen of toestand van een object. Vanwege het beginsel van materiële onmiddellijkheid (Unmittelbarkeit) bij bewijsverkrijging zijn dergelijke bewijsmiddelen echter alleen toegelaten, wanneer het directe bewijsmiddel, bijvoorbeeld een getuige, niet beschikbaar is. Het horen van een getuige met gebruikmaking van videotechnologie is in beginsel mogelijk; daarvoor bestaan geen specifieke wettelijke regels. Momenteel wordt overwogen randvoorwaarden op te stellen voor het verhoor met behulp van videotechnologie.

III. De waardering van het bewijs

8. Bestaat er een verbod op het gebruik van een bewijs dat door een partij onrechtmatig is verkregen?

Handelt een partij bij het verkrijgen van een bewijsmiddel in strijd met een verplichting uit een overeenkomst, een privaatrechtelijke regel of de goede zeden, dan kan de rechtbank het bewijs toelaten en gebruiken; de partij is hoogstens verplicht eventuele schade te vergoeden. Handelt de partij bij het verkrijgen van het bewijs in strijd met een strafrechtelijke bepaling die de kern van de grondwettelijk beschermde grond- of vrijheidsrechten beschermt (bijvoorbeeld het toebrengen van lichamelijk letsel, ontvoering, bedreiging van een getuige om hem tot een verklaring te dwingen), dan is het aldus verkregen bewijsmiddel niet toelaatbaar en mag het door de rechtbank niet worden aanvaard. Indien onduidelijk is of er sprake is van een strafbaar feit, kan de rechtbank de civiele procedure opschorten totdat het vonnis in het strafproces kracht van gewijsde heeft. Indien de onrechtmatige verkrijging van een bewijsmiddel niet tevens de kern van de grondwettelijk beschermde grond- of vrijheidsrechten aantast, wordt de partij die het bewijs aanvoert weliswaar strafrechtelijk verantwoordelijk, doch het bewijsmiddel is niet ontoelaatbaar. Slechts die onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen zijn ontoelaatbaar, die de rechtbank hebben belemmerd in zijn plicht tot waarheidsvinding en daardoor afbreuk hebben gedaan aan de garantie dat het vonnis op ware en juiste feiten is gebaseerd.

9. Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ook het verhoor van partijen is een bewijsmiddel. Zoals de getuige heeft ook de partij de plicht voor de rechtbank te verschijnen en een verklaring en de eed af te leggen. Een partij kan echter niet worden gedwongen om voor de rechtbank te verschijnen of een verklaring af te leggen. Het feit dat een partij niet verschijnt of weigert een verklaring af te leggen zonder daarvoor een geldige reden aan te voeren, moet door de rechter onder zorgvuldige afweging van alle omstandigheden worden beoordeeld. Slechts in een familierechtelijke procedure met betrekking tot afstamming (Abstammungsverfahren) of huwelijk (Eheverfahren) is de toepassing van dwangmiddelen mogelijk om partijen ertoe te brengen voor de rechtbank te verschijnen. Verzaking van de plicht om de waarheid te spreken wordt - anders dan bij een getuige - niet bestraft, tenzij onder ede een valse verklaring wordt afgelegd. Het verhoor van partijen kan ambtshalve worden gelast.

Nadere inlichtingen

De Oostenrijkse wetten kunnen in het federale rechtsinformatiesysteem via www.ris.bka.gv.at Deutsch - English worden opgevraagd. Verdere informatie over het Oostenrijkse recht kan worden verkregen op de homepage van het Oostenrijkse ministerie van Justitie: www.bmj.gv.at Deutsch - English - français.

« Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Algemene informatie | Oostenrijk - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 24-05-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk