Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Naar Belgisch recht bestaan er twee vormen van echtscheiding: echtscheiding op grond van bepaalde feiten en echtscheiding door onderlinge toestemming.
De echtscheiding op grond van bepaalde feiten is gebaseerd op de schending door een van de echtgenoten, aangetoond door de andere echtgenoot, van een van de huwelijksplichten. Die schendingen worden limitatief gepreciseerd in de wet. De echtscheiding op grond van bepaalde feiten kan gebaseerd zijn op een feitelijke scheiding van ten minste twee jaar, een lange scheiding die beschouwd wordt als een aanwijzing voor de duurzame ontwrichting van het huwelijk.
De echtscheiding door onderlinge toestemming komt tot stand doordat beide echtgenoten vastberaden en plechtig de wil te kennen geven om een einde te maken aan hun huwelijk. De echtgenoten moeten elk de leeftijd van 20 jaar bereikt hebben (artikel 275 van het Burgerlijk Wetboek). Onderlinge toestemming wordt enkel toegestaan indien het huwelijk aangegaan werd ten minste twee jaar vóór het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift (artikel 276 van het Burgerlijk Wetboek).
Aangezien de echtscheiding de staat van de persoon wijzigt, is deze aangelegenheid van openbare orde. Bijgevolg kan echtscheiding alleen het gevolg zijn van een gerechtelijke beslissing.
In de Belgische wetgeving zijn overspel (artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek), gewelddaden, mishandeling en grove beledigingen (artikel 231) en de feitelijke scheiding (artikel 232) echtscheidingsgronden. Hoewel het begrip grove beledigingen in de rechtspraak ruim is uitgelegd, moet dit steeds gesitueerd blijven in het domein van de wederzijdse plichten van de echtgenoten.
Welk feit ook wordt ingeroepen, het moet aan vier voorwaarden voldoen om een echtscheidingsgrond te zijn, te weten: de tekortkoming aan de uit het huwelijk voortvloeiende verplichtingen moet ernstig zijn, ze moet gewild zijn en toe te schrijven aan de echtgenoot die tekort is geschoten, ze moet beledigend zijn voor de partner die er het slachtoffer van is, en de oorzaak van de tekortkoming moet dateren van ná het huwelijk of er op zijn minst mee verband houden.
De wetgever heeft de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingedeeld onder de gevallen van echtscheiding op grond van bepaalde feiten. Daarvoor is nooit de instemming van de twee echtgenoten vereist. Zij kan door een echtgenoot aan de andere echtgenoot worden opgelegd, zonder dat in hoofde van deze laatste een fout moet worden aangetoond. De rechterlijke controle heeft betrekking op de duur van de scheiding en op de toestand van duurzame ontwrichting van de huwelijksband tussen de echtgenoten, waarvan de scheiding slechts de zichtbare vorm is. Dat de huwelijksband duurzaam ontwricht is, vloeit voort uit een situatie waarin de verderzetting van het gemeenschappelijk leven onmogelijk is. Het toekennen van de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding mag de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslechten.
De echtscheiding op grond van feitelijke scheiding is mogelijk, zelfs wanner deze te wijten is aan de geestestoestand van een van de echtgenoten.
a) De persoonlijke betrekkingen.
b) De verdeling van het vermogen.
c) De minderjarige kinderen van de echtgenoten. (Ouderlijke verantwoordelijkheid – België)
d) De alimentatieverplichting tegenover de andere echtgenoot. (Alimentatievorderingen – België)
Door de echtscheiding wordt de huwelijksband naar de toekomst toe verbroken. Elke op de hoedanigheid van echtgenoot gebaseerde rechtsverhouding verdwijnt. Bijgevolg mag de ene ex-echtgenoot niet langer de naam van de andere gebruiken. In bijzondere omstandigheden mag op deze regel een uitzondering worden gemaakt wat de handelsnaam betreft. De voormalige echtgenoten zijn niet langer elkaars wettelijke erfgenamen. Zij kunnen hertrouwen.
Aangezien het gemeenschappelijk vermogen wordt ontbonden, moet tot de afwikkeling worden overgegaan. Om de omvang van het vermogen opnieuw samen te stellen, moet men zich plaatsen op de datum van het verzoek om echtscheiding. In het kader van de echtscheiding op grond van fout, behoudt alleen de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt de contractuele erfstellingen te zijnen behoeve gedaan in de huwelijksovereenkomst of tijdens het huwelijk. Wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op grond van feitelijke scheiding, wordt de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, geacht de echtgenoot te zijn die de fout heeft gemaakt; hij verliest bijgevolg de hem door de andere echtgenoot toegekende voordelen. Bij een scheiding op grond van de geestestoestand van een van de echtgenoten, behoudt elke ex-echtgenoot de voordelen van de contractuele erfstellingen.
Bij echtscheiding door onderlinge toestemming regelen de partijen vooraf hun wederzijdse rechten. Zij kunnen een vergelijk treffen en een boedelbeschrijving doen opmaken (artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek). Wanneer de voorafgaande overeenkomst betrekking heeft op onroerende goederen, moet daarvoor een notariële akte worden verleden.
Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd, hetzij bij een beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding (artikel 302 van het Burgerlijk Wetboek). De echtgenoten dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen (artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek). Deze bijdrage vindt meestal plaats in de vorm van een door een rechterlijke instantie vastgestelde alimentatie. Deze bijdrage is verschuldigd tot als de kinderen meerderjarig zijn of, wanneer hun opleiding op dat ogenblik niet is beëindigd, tot als dit wel het geval is. De tijdens het echtscheidingsgeding gegeven voorlopige beslissingen blijven na de overschrijving van het vonnis van toepassing, tot wanneer de bevoegde rechter een andere beslissing heeft genomen. De partijen moeten vóór de echtscheiding in onderlinge overeenstemming overeenkomsten sluiten over het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact wat betreft de kinderen, zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding (artikel 1288, onder 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Zij regelen eveneens de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van de kinderen (artikel 1288, onder 3°, van het Gerechtelijk Wetboek).
De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven (artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek). Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot. Zij bestaat uit een som geld waarvan het bedrag van rechtswege wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De rechtbank kan toestaan dat de uitkering via loondelegatie wordt geïnd. De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden vervangen. Wat echtscheiding op grond van feitelijke scheiding betreft, heeft de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt, geen recht op een uitkering aangezien hij wordt geacht de echtgenoot te zijn aan wiens fout de echtscheiding is te wijten (artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek). Wanneer de echtgenoot die de echtscheiding vraagt, echter het bewijs kan leveren dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot, kan hij wel een alimentatie-uitkering krijgen. Artikel 307 bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in dat geval de uitkering een derde gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar te boven mag gaan (contra: De arresten 48/2000 en 163/2001 van het Arbitragehof).
Bij echtscheiding door onderlinge toestemming kunnen de partijen een overeenkomst sluiten over het bedrag van de eventuele uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, en over de indexering en de herziening van dat bedrag (artikel 1288, onder 4°, van het Gerechtelijk Wetboek). Het gaat niet om een verplichting.
Ten slotte heeft de echtscheiding door onderlinge toestemming in beginsel dezelfde gevolgen als de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, maar zonder verval van rechten en burgerlijke sancties omdat die niet wordt uitgesproken tegen een van beide echtgenoten.
In de gevallen waarin de echtgenoten, echtscheiding op grond van bepaalde feiten kunnen vorderen, staat het hun eveneens vrij een vordering tot scheiding van tafel en bed in te stellen (artikel 1305 van het Gerechtelijk Wetboek). In de gevallen waarin zij uit de echt kunnen scheiden door onderlinge toestemming, staat het hun eveneens vrij tot scheiding van tafel en bed over te gaan. De oorzaken en de voorwaarden zijn strikt dezelfde. De scheiding van tafel en bed bestaat in feite gewoon uit een verslapping van de huwelijksband, die in beginsel blijft bestaan. De scheiding van tafel en bed heft alleen de samenwoningsplicht en de bijstandsplicht op. De getrouwheids- en hulpplicht blijven bestaan. Omwille van deze hybridische situatie staat de wetgever de echtgenoot tegen de welke de scheiding van tafel en bed werd uitgesproken of, in het geval van een scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming, beide echtgenoten toe aan de rechtbank de omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding te vragen (artikelen 1309 en 1310 van het Gerechtelijk Wetboek).
De gronden voor een scheiding van tafel en bed zijn dezelfde als die welke van toepassing zijn voor echtscheiding.
De scheiding van tafel en bed verbreekt de huwelijksband niet. Zij laat de verplichtingen van getrouwheid en hulp bestaan. Zij heeft de scheiding van goederen tot gevolg (artikel 311 van het Burgerlijk Wetboek). Dezelfde burgerlijke sancties als bij de echtscheiding zijn van toepassing, met name in hoofdzaak het verlies van de voordelen van het huwelijk. De echtgenoot die de scheiding van tafel en bed heeft verkregen, kan geen alimentatie-uitkering krijgen, maar kan wel de toepassing van de hulpplicht inroepen (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek). Wanneer de scheiding van tafel en bed wordt omgezet in echtscheiding, kan de echtgenoot die de scheiding van tafel en bed had verkregen, aanspraak maken op de alimentatie-uitkering die inzake echtscheiding geldt (artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek).
Bovendien zijn de gevolgen van de scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming dezelfde als die van de echtscheiding door onderlinge toestemming, op voorwaarde dat de huwelijksband niet wordt verbroken. De getrouwheids- en hulpplicht (eventueel geregeld in de voorafgaande overeenkomsten) blijven eveneens bestaan.
Het huwelijk is een civielrechtelijke instelling die zo belangrijk is voor het gezin en voor de maatschappij dat de wetgever het vervullen van zeer strikte voorwaarden heeft opgelegd voor de geldigheid van de huwelijksband en alle nuttige voorzorgen heeft getroffen om die voorwaarden te laten naleven. De preventieve burgerlijke sancties zijn bedoeld om te verhinderen dat een huwelijk wordt gesloten wanneer de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk kennelijk niet zijn vervuld. De nietigverklaring van het huwelijk is de repressieve burgerlijke sanctie wanneer het huwelijk werd gesloten met schending van de wettelijke bepalingen, ondanks de preventieve controle van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aangezien de gevolgen van het huwelijk zeer belangrijk zijn, zowel op het gebied van de staat van de personen als wat de afstamming betreft, is de wetgever uiterst behoedzaam tewerkgegaan bij het vaststellen van een systeem van nietigheden van het huwelijk.
De absolute nietigheidsgronden voor het huwelijk minderjarigheid, incest, bigamie, onbevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand en het feit dat de huwelijksvoltrekking niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
Zowel voor mannen als voor vrouwen is de minimumleeftijd om te huwen 18 jaar. Dit vereiste vloeit voort uit de gedachte dat de echtgenoten over een zekere maturiteit moeten beschikken. Het huwelijk is verboden tussen alle bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn (artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek). Deze regel is zowel van toepassing op bloedverwanten als op adoptieve verwanten (artikel 363 en 370 van het Burgerlijk Wetboek). Het verbod geldt ook in de zijlijn. Het huwelijk is verboden tussen broers en zusters (artikel 162 van het Burgerlijk Wetboek). Dit verbod geldt ook tussen adoptiefkinderen van dezelfde ouders (artikel 363 van het Burgerlijk Wetboek). Het huwelijk is ook verboden tussen oom en nicht of neef, of tussen tante en nicht of neef (artikel 163 van het Burgerlijk Wetboek) maar dit verbod kan om gewichtige redenen worden opgeheven (artikel 164 van het Burgerlijk Wetboek). Ingeval van schending van deze verbodsbepalingen kan het huwelijk worden nietigverklaard (artikel 184 van het burgerlijk Wetboek). Aangezien het huwelijk niet mogelijk is voor iemand die reeds in de echt is verbonden, kan de nietigheid van het tweede huwelijk worden gevorderd (artikel 188 van het Burgerlijk Wetboek). Aangezien de openbaarheid van de huwelijksvoltrekking een essentiële voorwaarde is voor de geldigheid van het huwelijk, is het clandestien huwelijk, dat in afwezigheid van de echtgenoten of de getuigen wordt gesloten, nietig. Aangezien de aanwezigheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand noodzakelijk is om de toestemming van de partijen naar behoren vast te stellen, is ook de afwezigheid van deze gemeentelijke ambtsdrager een nietigheidsgrond voor het huwelijk.
De relatieve nietigheidsgronden voor het huwelijk zijn het ontbreken van de toestemming van de echtgenoten of van één van hen of dwaling omtrent de persoon. In dat geval kan het huwelijk alleen worden aangevochten door de echtgenoot wiens toestemming ontbrak of alleen door de echtgenoot die in daling werd gebracht.
De nietigverklaring heeft tot gevolg dat het huwelijk zowel voor het verleden als voor de toekomst wordt uitgewist. De nietigheid heeft terugwerkende kracht tot op de dag van de huwelijkssluiting. Alle gevolgen van het huwelijk verdwijnen. De gevolgen van het huwelijk worden retroactief vernietigd. Het huwelijk wordt geacht nooit te hebben bestaan. De huwelijksovereenkomsten hebben geen enkel gevolg. Elke echtgenoot verliest de rechten die hij in de erfenis van zijn echtgenoot zou hebben gehad. De schenkingen die met het oog op het huwelijk werden gedaan, zijn niet langer geldig. De alimentatieverplichting vervalt voor de toekomst, maar de in het verleden betaalde uitkeringen moeten niet worden teruggegeven. Wanneer de echtgenoten te goeder trouw zijn, dat wil zeggen wanneer zij het bestaan van een nietigheidsgrond niet konden kennen, kan de rechtbank beslissen dat het huwelijk voor de toekomst wordt nietigverklaard, terwijl de gevolgen voor het verleden blijven bestaan. Wanneer slechts één echtgenoot te goeder trouw is, heeft het huwelijk alleen voor die echtgenoot gevolgen. Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de nietigverklaring van het huwelijk, houdt de echtgenoot tot vader. Overeenkomstig artikel 202 van het Burgerlijk Wetboek heeft het huwelijk eveneens gevolgen ten voordele van de kinderen, ook al is geen van beide echtgenoten te goeder trouw geweest.
De wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken biedt de betrokken partijen de mogelijkheid de rechter te vragen een bemiddelaar aan te wijzen (artikelen 734 bis tot en met artikel 734 sexies van het Gerechtelijk Wetboek). Dit kan ook op eigen initiatief van de rechter gebeuren, maar met instemming van de partijen. Zo na de bemiddeling een volledige overeenkomst is bereikt, brengen de partijen de rechter op de hoogte, die akte neemt van de overeenkomst. Zo geen overeenkomst of een gedeeltelijke overeenkomst is bereikt, kunnen de partijen de rechter vragen dat de procedure van bemiddeling in familiezaken wordt voortgezet om een overeenkomst te bereiken. Als bemiddelaar in familiezaken kunnen door de rechter worden erkend: advocaten, notarissen en natuurlijke personen die daarvoor een specifieke opleiding hebben genoten. De tussenkomst van de bemiddelaar vindt plaats zonder dat de partijen voor de rechter moeten verschijnen. De rechter wordt slechts schriftelijk ingelicht over het resultaat van de bemiddeling. Zonder tussenkomst van de rechter staat de bemiddeling toe de problemen op te lossen betreffende de huwelijksplichten (artikelen 203 tot en met 211 van het Burgerlijk Wetboek), de respectieve rechten en plichten van de echtgenoten (artikelen 212 tot en met 224 van het Burgerlijk Wetboek), de gevolgen van de echtscheiding (artikelen 295 tot en met 307bis van het Burgerlijk Wetboek) en het ouderlijk gezag (artikelen 371 tot en met 387 bis van het Burgerlijk Wetboek). In de praktijk wordt de bemiddeling in familiezaken echter nog niet toegepast doordat de criteria voor de erkenning van de bemiddelaars in familiezaken nog niet bij koninklijk besluit werden vastgesteld.
De echtscheiding zelf behoort nog steeds tot de bevoegdheid van de rechtbanken.
Tot kennisneming van een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten of van een vordering tot omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding is alleen de rechter van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder bevoegd (artikel 628 van het Gerechtelijk Wetboek). Wat de onderlinge overeenstemming betreft, wordt de territoriaal bevoegde rechter niet in de wet aangeduid. Het verzoekschrift wordt ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg, naar keuze van de echtgenoten (artikel 1288 bis, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek). Het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk wordt, overeenkomstig de algemene regel van het gemeenrecht, ingediend bij de rechter van de woonplaats van de verweerder (artikel 624 van het Gerechtelijk Wetboek). Voor de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, moet de dagvaarding een omstandige opgave van de feiten bevatten, alsook de opgave van de identiteit van de kinderen (artikel 1254 van het Gerechtelijk Wetboek). De eiser legt een uittreksel uit de akte van huwelijk neer, een uittreksel uit de akten van geboorte van de kinderen en een bewijs van nationaliteit van elk van de echtgenoten (ibidem). Wanneer één van de echtgenoten niet de Belgische nationaliteit heeft, moet de eiser ook de nationale wet van die echtgenoot neerleggen.
Voor de echtscheiding door onderlinge toestemming wordt het verzoek ingediend bij verzoekschrift.
Naast de documenten die in het kader van een echtscheiding op grond van bepaalde feiten worden gevraagd, moeten daarbij ook de door de partijen gesloten voorafgaande overeenkomsten en desgevallend een inventaris van hun goederen worden gevoegd.
De gemeenrechtelijke regels zijn van toepassing. Zie het dossier "rechtsbijstand".
Tegen elke beslissing hierover kan, zoals in het gemeenrecht, hoger beroep worden ingesteld bij het hof van beroep.
Het door een buitenlandse rechtbank op wettige wijze uitgesproken vonnis betreffende de staat van de personen heeft gevolgen in België, onafhankelijk van elke exequaturbeslissing behalve als daarop een beroep wordt gedaan voor aktes voor materiële tenuitvoerlegging over goederen of voor dwang op personen. Een dergelijk vonnis heeft in België gezag van gewijsde, voorzover het op geen enkel punt in strijd is met de openbare orde of met de Belgische regels van publiekrecht, de rechten van de verdediging werden geëerbiedigd, de buitenlandse rechter niet uitsluitend bevoegd was omwille van de nationaliteit van de eiser, de beslissing kracht van gewijsde heeft gekregen krachtens het recht van het land waar de beslissing werd gegeven en de expeditie van het vonnis aan de krachtens hetzelfde recht noodzakelijke voorwaarden voor de authenticiteit ervan voldoet (artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek). Bijgevolg legt de echtgenoot die in België een gerechtelijke beslissing inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk wil doen gelden de bewijsstukken voor aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de betrokken gemeente, te weten die waar het huwelijk werd gesloten of die van de woonplaats van één van de echtgenoten. In het geval van betwisting moet de zaak voor de rechter worden gebracht.
Dienaangaande moet ook worden gewezen op Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 ("verordening Brussel II" genoemd) betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen, en met name de artikelen 14 tot en met 20 inzake de erkenning.
De rechtbank van eerste aanleg van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder is bevoegd voor het berechten van een vordering tot het zich verzetten tegen de erkenning in België van een in een EU-lidstaat gegeven buitenlandse beslissing inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (artikel 628 van het Gerechtelijk Wetboek). Inzake nietigverklaring van het huwelijk is de bevoegde rechtbank die van de woonplaats van de verweerder (artikel 624 van het Gerechtelijk Wetboek).
De in België ingestelde echtscheidingsprocedure moet voor de Belgische rechtbanken worden gevoerd, overeenkomstig de bepalingen van het Belgisch recht. Die bepalingen hebben met name betrekking op de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg.
Wat de grondvoorwaarden betreft, wordt de staat van de persoon in beginsel geregeld door het nationale recht (artikel 3, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek). Problemen doen zich voor wanneer twee tegelijk toepasselijke rechtsstelsels niet overeenstemmen wat de oplossingen betreft. De wet van 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste een van de echtgenoten een vreemdeling is, heeft bepaalde kwesties geregeld. De niet geregelde problemen blijven onderworpen aan het genoemde artikel 3, lid 3.
Zo zijn, in het geval van een echtscheiding tussen echtgenoten waarvan er één Belg is en de ander niet, de toelaatbaarheid van de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, en de gronden en voorwaarden daarvan, beheerst door de Belgische wet (artikelen 2 en 3 van de wet van 27 juni 1960). In dezelfde situatie is de echtscheiding voor onderlinge toestemming toegelaten overeenkomstig de Belgische wet (artikel 2 van de wet van 27 juni 1960) en zijn de grondvoorwaarden die uit de Belgische wet.
In geval van huwelijk tussen vreemdelingen wordt de toelaatbaarheid van de echtscheiding wegens een bepaalde oorzaak beheerst door de Belgische wet, tenzij de nationale wet van de echtgenoot die echtscheiding vraagt, zich ertegen verzet (artikel 1 van de wet van 27 juni 1960). De gronden van echtscheiding worden bepaald volgens de Belgische wet (artikel 3 van de genoemde wet). In die zelfde situatie bepaalt de nationale wet van de echtgenoten of zij door onderlinge toestemming uit de echt kunnen scheiden en onder welke voorwaarden (artikel 3, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek).
« Echtscheiding - Algemene informatie | België - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 05-01-2007

