Europese Commissie > EJN > Faillissement > Duitsland

Laatste aanpassing: 15-03-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Faillissement - Duitsland

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


 

INHOUDSOPGAVE

1. Welke soorten insolventieprocedures zijn er en welke doelstellingen hebben die? 1.
2. Wat zijn de voorwaarden voor het inleiden van een insolventieprocedure? 2.
3. Welke rol spelen de verschillende deelnemers in de procedure? 3.
4. Welke gevolgen heeft het inleiden van een procedure? 4.
5. Wat zijn de specifieke voorschriften bij bepaalde categorieën van vorderingen? 5.
6. Wat zijn de voorschriften met betrekking tot handelingen die de boedel benadelen? 6.
7. Wat zijn de voorwaarden voor het indienen en verifiëren van schuldvorderingen? 7.
8. Wat is een saneringsprocedure? 8.
9. Wat is een liquidatieprocedure? 9.
10. Wat zijn de voorwaarden voor de beëindiging van de procedure? 10.

 

1. Welke soorten insolventieprocedures zijn er en welke doelstellingen hebben die?

De Duitse faillissementswet kent één uniforme insolventieprocedure. Doel daarvan is een optimale evenredige voldoening van de schuldeisers (§1, eerste volzin, van de Duitse faillissementswet - Insolvenzordnung (InsO)). De insolventieprocedure kan worden afgewikkeld volgens de wettelijke voorschriften met betrekking tot het beheer, de tegeldemaking en de verdeling van de boedel (de reguliere insolventieprocedure - Regelinsolvenzverfahren). De partijen bij de procedure kunnen echter in een insolventieplan ook andere regelingen treffen, met name met het oog op het behoud van de onderneming.

Doel van de insolventieprocedure is bovendien om natuurlijke personen de mogelijkheid te bieden een nieuwe financiële start te maken (zogenoemde „fresh start“). Dat gebeurt door middel van kwijtschelding van de schulden die na afloop van de insolventieprocedure nog niet zijn voldaan (kwijtschelding van restschulden - Restschuldbefreiung).

2. Wat zijn de voorwaarden voor het inleiden van een insolventieprocedure?

Een insolventieprocedure kan worden ingeleid ten aanzien van het vermogen van iedere rechtspersoon en natuurlijke persoon, ook als die persoon niet als ondernemer actief is (een zogenoemde consument).

In de eerste plaats moet er een verzoek tot inleiding van de insolventieprocedure worden ingediend. Dat verzoek kan door de schuldenaar of door een schuldeiser worden gedaan. Overheidsinstellingen kunnen een dergelijk verzoek niet indienen. Kapitaalvennootschappen zijn in het geval van insolventie verplicht een verzoek tot inleiding van de insolventieprocedure in te dienen. Als deze plicht wordt verzaakt, kunnen de schuldeisers schadevergoeding eisen. De schuldenaar pleegt in dat geval ook een strafbaar feit.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Redenen om een insolventieprocedure te openen zijn onvermogen tot betalen (Zahlungsunfähigkeit) en/of een te grote schuldenlast (Überschuldung). Er is sprake van onvermogen tot betalen wanneer een schuldenaar niet in staat is aan zijn opeisbare betalingsverplichtingen te voldoen (§17, lid 2, InsO). Er is sprake van een te grote schuldenlast wanneer de lopende schulden niet meer door het vermogen van de schuldenaar worden gedekt (vgl. §18, lid 2, InsO). Bij het taxeren van het vermogen van de schuldenaar moet worden uitgegaan van voortzetting van de onderneming, indien dat gegeven de omstandigheden een reële optie is. Indien het verzoek tot inleiding van de insolventieprocedure is ingediend door de schuldenaar, is het ook voldoende wanneer er sprake is van een dreigend onvermogen tot betalen (§18, lid 1, InsO).

Om zowel de rechtbank als de schuldenaar te beschermen tegen voorbarige verzoeken of verzoeken die uitsluitend zijn bedoeld om schade te berokkenen, moet een schuldeiser bij het indienen van zijn verzoek aannemelijk maken dat er een reden voor het openen van een insolventieprocedure aanwezig is en dat hijzelf een vordering heeft.

Een laatste vereiste is de garantie dat de kosten van de insolventieprocedure worden vergoed. Het verzoek tot inleiding van de procedure wordt daarom afgewezen, wanneer het vermogen van de schuldenaar naar het zich laat aanzien niet toereikend zal zijn om de proceskosten te dekken (§26, lid 1, eerste volzin, InsO).

Indien aan de voorwaarden wordt voldaan, vaardigt de faillissementsrechtbank (Insolvenzgericht) een beschikking tot inleiding van de procedure uit. De beschikking wordt op initiatief van de rechtbank gepubliceerd op internet (www.insolvenzbekanntmachungen.de Deutsch) of in een blad dat bestemd is voor officiële publicaties van de rechtbank. Er ligt een wetsontwerp dat erin voorziet dat de bekendmaking in de toekomst uitsluitend via internet plaatsvindt.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

3. Welke rol spelen de verschillende deelnemers in de procedure?

De faillissementsrechtbank heeft tot taak de procedurele afwikkeling van de insolventieprocedure te begeleiden en te bewaken. De rechtbank speelt bovendien een bemiddelende en verzoenende rol bij de onderhandelingen tussen de partijen en bevordert daarmee de doelstelling om het conflict in goed overleg op te lossen. De belangrijkste beslissingen in een eenmaal geopende insolventieprocedure (tegeldemaking, vereffening, sanering en insolventieplan) worden overgelaten aan de schuldeisers. In de beginfase van de procedure heeft de rechtbank echter bijzondere bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Zo beslist de rechtbank onder meer over het inleiden van de procedure, over voorlopige conservatoire maatregelen en over de benoeming van een curator. De rechtbank is tevens belast met het toezicht op de curator. De rechtbank ziet echter uitsluitend toe op de rechtmatigheid van zijn handelen, niet op de doelmatigheid ervan. Ook kan de rechtbank hem geen aanwijzingen geven.

Centraal in de insolventieprocedure staat de curator (Insolvenzverwalter). Voor deze functie komen met name advocaten, zakenlieden, accountants en belastingadviseurs in aanmerking. Met de opening van de insolventieprocedure verwerft de curator de bevoegdheid tot beheer en beschikking over het vermogen van de schuldenaar. Zijn belangrijkste taak is het vermogen dat hij bij de opening van de insolventieprocedure aantreft, te zuiveren van de goederen die niet tot de eigendom van de schuldenaar behoren. Bovendien moet hij het vermogen van de schuldenaar aanvullen met de goederen die juridisch gezien behoren tot de bezittingen die te gelde moeten worden gemaakt, maar die zich op het moment dat de insolventieprocedure wordt geopend nog niet in het vermogen van de schuldenaar bevinden. Het aldus vastgestelde vermogen van de schuldenaar vormt de zogeheten boedel (Insolvenzmasse - §35, InsO), die vervolgens dient ter voldoening van de schuldeisers. Tot de taken van de curator behoren verder onder meer:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  • het uitbetalen van salarissen aan de werknemers van de schuldenaar
  • het beslissen over nog niet nagekomen contractuele verplichtingen (§103, InsO)
  • het opmaken van een inventaris van het vermogen (§153, lid 1, eerste volzin, InsO)
  • het te gelde maken van de boedel (§159, InsO)
  • het verdelen van de opbrengst uit de tegeldemaking (§187, InsO).

De faillissementswet kent voorts een belangrijke rol toe aan de schuldeisers, die de insolventieprocedure in aanzienlijke mate kunnen beïnvloeden. De wet voorziet te allen tijde in een vergadering van schuldeisers (Gläubigerversammlung), maar staat ook toe dat er daarnaast een commissie van schuldeisers (Gläubigerausschuss) wordt ingesteld. Terwijl de vergadering van schuldeisers primair het besluitvormende orgaan van de schuldeisers is, gaat het bij de commissie van schuldeisers om het centrale orgaan dat toezicht houdt op de schuldeisers. De functie van de commissie is te vergelijken met die van een raad van commissarissen.

De vergadering van schuldeisers wordt bijeengeroepen en geleid door de faillissementsrechtbank (§74, lid 1, eerste volzin, InsO resp. §76, lid 1, InsO). Aan de vergadering mag worden deelgenomen door alle preferente en concurrente schuldeisers, de curator en de schuldenaar (§74, lid 1, tweede volzin, InsO). Er is sprake van een besluit van de vergadering van schuldeisers, wanneer de som der vorderingen van de schuldeisers die met het besluit instemmen, meer bedraagt dan de helft van de som der vorderingen van de schuldeisers die hun stem hebben uitgebracht (Summenmehrheit).

De vergadering van schuldeisers beslist over de samenstelling van de commissie van schuldeisers (§68, InsO). Indien een commissie van schuldeisers wordt ingesteld door de faillissementsrechtbank nog voordat de eerste vergadering van schuldeisers heeft plaatsgevonden, wordt de samenstelling geregeld overeenkomstig §67, lid 2, InsO. De vergadering van schuldeisers heeft het recht een dergelijke voorlopig ingestelde commissie te ontbinden.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het belang van de vergadering van schuldeisers blijkt uit het feit dat zij kan beslissen over de voortgang van de procedure - zij kan in het bijzonder beslissen over de wijze van tegeldemaking. Andere taken van de vergadering van schuldeisers resp. de commissie van schuldeisers zijn:

  • het aanwijzen van een andere curator (§ 57, eerste volzin, InsO)
  • het controleren van de curator (§66, §79, §197, lid 1, onder 1, InsO)
  • het geven van toestemming voor rechtshandelingen door de curator die van bijzonder belang zijn (§160, lid 1, InsO)
  • het verlenen van medewerking aan het opstellen en uitvoeren van het insolventieplan (§218, lid 2, §231, lid 2, §232, lid 1, onder 1, §233, tweede volzin, §248, lid 2, §258, lid 2, derde volzin, §261, lid 2, tweede volzin, §262, InsO).

Eigenaar van het vermogen dat te gelde wordt gemaakt is de failliet (Insolvenzschuldner), op wie de schuldeisers een vordering hebben (§38, §39, InsO). Hij is in principe met zijn gehele vermogen aansprakelijk. Ook nadat de insolventieprocedure is ingeleid, blijft hij eigenaar van zijn vermogen en schuldenaar van zijn schulden. De bevoegdheid tot beheer en beschikking over zijn tot het faillissement behorend vermogen gaat echter over op de curator (uitzondering is de zogenoemde Eigenverwaltung, waarbij de schuldenaar zelf het beheer en de beschikking over het vermogen behoudt - §270 e.v., InsO). Daarnaast leidt het openen van de insolventieprocedure voor de failliet tot een informatie- en medewerkingsplicht op allerlei gebied. De failliet heeft echter ook het recht om aan de procedure deel te nemen.

Ten behoeve van een vlotte afwikkeling van de insolventieprocedure kan tegen beslissingen van de faillissementsrechtbank alleen een rechtsmiddel worden aangewend in gevallen waarin de wet voorziet in het rechtsmiddel van onmiddellijk verzet (sofortige Beschwerde - zie §6, lid 1, InsO). Onmiddellijk verzet kan worden aangetekend bij de faillissementsrechtbank of bij de hoger beroepsrechter (= het Landgericht waaronder de faillissementsrechtbank valt), hetzij schriftelijk hetzij door een verklaring ter griffie. Het rechtsmiddel heeft geen schorsende werking; de hoger beroepsrechter en de faillissementsrechter kunnen echter de voorlopige opschorting van de tenuitvoerlegging gelasten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

4. Welke gevolgen heeft het inleiden van een procedure?

Zodra de insolventieprocedure wordt ingeleid, gaat het recht van de schuldenaar om het tot de failliete boedel behorende vermogen te beheren en erover te beschikken, over op de curator (§80, lid 1, InsO). Dit geldt niet alleen voor het vermogen dat de schuldenaar toebehoort op het moment dat de procedure wordt ingeleid, maar ook voor het vermogen dat hij gedurende de procedure nog verwerft. Dit beslag (Beschlagnahme) omvat niet die roerende zaken die de schuldenaar voor zijn levensonderhoud nodig heeft. Inkomen uit werk valt alleen onder de boedel voor zover dat boven het bestaansminimum van de schuldenaar ligt.

Ter bescherming van de boedel - bijvoorbeeld tegen inbreuken door de schuldenaar of individuele schuldeisers - heeft de curator de plicht de boedel onmiddellijk onder zich te nemen. Indien de schuldenaar de boedel niet vrijwillig uit handen geeft, kan de curator overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging. Als titel van tenuitvoerlegging dient de beschikking tot inleiding van de procedure. De curator moet bovendien een inventaris van het vermogen opmaken, waarin de tot het faillissement behorende goederen worden getaxeerd en tegenover de schulden van de schuldenaar worden gezet (§153, InsO). Verder dient hij een lijst van schuldeisers op te stellen, waarin de vorderingen concreet worden omschreven en waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen concurrente en preferente schuldeisers (§152, InsO).

Aangezien de insolventieprocedure gericht is op een evenredige voldoening van alle schuldeisers, betekent het openen van de procedure dat het voor een schuldeiser verboden is zelf tot executie over te gaan. De schuldeisers kunnen dus gedurende de procedure geen executiemaatregelen nemen met betrekking tot het vermogen van de schuldenaar. Dat geldt voor het tot het faillissement behorende vermogen, maar ook voor het vermogen dat buiten het faillissement valt.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

5. Wat zijn de specifieke voorschriften bij bepaalde categorieën van vorderingen?

Vorderingen van boedelschuldeisers (Massegläubiger) dienen met voorrang te worden vergoed (§53, InsO). Deze schuldeisers hebben vorderingen die na het inleiden van de insolventieprocedure zijn ontstaan in verband met de afwikkeling van het faillissement door de curator (bijvoorbeeld loonvorderingen van werknemers die nog steeds in het bedrijf werkzaam zijn of vorderingen van een advocaat die in opdracht van de curator door middel van een gerechtelijke procedure vorderingen op de failliet moet verhalen). Reden waarom deze vorderingen met voorrang worden voldaan, is dat de curator de procedure alleen dan naar behoren kan afhandelen, wanneer hij de mogelijkheid heeft nieuwe verplichtingen aan te gaan waarvan volledige nakoming is gegarandeerd.

Schuldeisers voor wie tot de boedel behorende goederen tot zekerheid dienden, hebben er recht op dat hun vorderingen met voorrang uit de opbrengst worden voldaan. De opbrengst die met het te gelde maken van het desbetreffende goed is verkregen, wordt aan de schuldeiser die zekerheid stelde, uitgekeerd tot aan het bedrag van de vordering waarvoor het goed tot zekerheid diende. Het eventuele overschot valt toe aan de boedel en kan worden gebruikt om de overige schuldeisers te voldoen. Een dergelijke preferentie vloeit onder andere voort uit hypotheek, pandrecht op roerende zaken of bezitloos pandrecht (§50, §51, InsO).

Buiten het faillissement staan de separatisten (aussonderungsberechtigte Gläubiger - §47, InsO). Het beslag omvat uitsluitend het vermogen van de schuldenaar. Indien hij op het moment van het inleiden van de insolventieprocedure vermogensbestanddelen in zijn bezit heeft waarop een derde een zakelijk of persoonlijk recht uitoefent, dan kan de derde zijn recht onverkort doen gelden (recht tot afscheiding - Aussonderungsrecht). Hij kan buiten de insolventieprocedure om een rechtsvordering tot teruggave tegen de curator instellen. Het recht op afscheiding vloeit met name voort uit eigendom en het gewone eigendomsvoorbehoud, maar ook uit een recht op teruggave dat voortvloeit uit een verbintenis (bijvoorbeeld dat van een verhuurder tegenover de huurder).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

6. Wat zijn de voorschriften met betrekking tot handelingen die de boedel benadelen?

Door middel van de in §129 e.v., InsO opgenomen vernietigingsbepalingen moet worden voorkomen dat de failliet vermogensbestanddelen aan het beslag onttrekt of dat individuele schuldeisers voor het begin van de insolventieprocedure bepaalde voordelen verwerven. Indien de curator de nietigheid inroept, moet de door de nietig verklaarde rechtshandeling bevoordeelde alles teruggeven wat door die rechtshandeling aan het vermogen van de failliet werd onttrokken. Als dat niet mogelijk is in natura, moet hij schadevergoeding betalen. Eventuele tegenvorderingen van de bevoordeelde kunnen pas weer worden ingesteld, wanneer hij het verkregene heeft teruggegeven (§144, InsO).

Voor het inroepen van de nietigheid is het noodzakelijk dat er sprake is van benadeling van de schuldeisers door een rechtshandeling die werd verricht voordat de insolventieprocedure werd ingeleid (§129, InsO) en dat een van de vernietigingsgronden aanwezig is die is vastgelegd in §130 t/m §136, InsO. Een vernietigingsgrond ontstaat met name door:

  • kosteloze prestaties van de schuldenaar, tenzij deze meer dan vier jaar voor het verzoek tot inleiding van de insolventieprocedure werden verricht (§134, InsO);
  • rechtshandelingen die de schuldenaar in de laatste tien jaar voor het verzoek tot inleiding van de procedure heeft verricht met de bedoeling om daarmee zijn schuldeisers te benadelen, voor zover de bevoordeelde van de bedoeling van de schuldenaar op de hoogte was (§133, InsO);
  • rechtshandelingen die de schuldenaar tijdens de laatste drie maanden voor het verzoek tot inleiding van de procedure heeft verricht, voor zover hij toen al niet in staat was te betalen en de wederpartij daarvan op de hoogte was (§132, lid 1, onder 1, InsO);
  • rechtshandelingen die de schuldeiser een zekerheid verschaffen waarop hij geen recht heeft, voor zover de handeling in de laatste maand voorafgaande aan het verzoek tot inleiding van de procedure werd verricht (§131, lid 1, onder 1, InsO).

Daarenboven kunnen in deze gevallen zowel de schuldenaar als de bevoordeelde schuldeiser tevens strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld (§283 t/m §283d van het Duitse Wetboek van Strafrecht - Strafgesetzbuch (StGB)).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

7. Wat zijn de voorwaarden voor het indienen en verifiëren van schuldvorderingen?

De vorderingen op de failliet worden niet ambtshalve in aanmerking genomen, maar slechts indien en voor zover de schuldeiser zijn recht opeist door het indienen van de vordering. De faillissementsrechtbank dient in haar beschikking tot inleiding van de procedure de schuldeisers op te roepen om hun vorderingen binnen een termijn van ten minste twee weken en ten hoogste drie maanden bij de curator in te dienen (§28, lid 1, eerste en tweede volzin, InsO). Het gaat hierbij echter niet om een vervaltermijn. Derhalve is het indienen van een vordering ook nog mogelijk nadat de termijn is verstreken (vgl. §177, lid 1, eerste volzin, InsO).

Ook vorderingen die reeds rechtsgeldig zijn vastgesteld (vorderingen met executoriale titel) moeten schriftelijk worden ingediend. Bij indiening moet de grondslag van de vordering worden omschreven, dat wil zeggen de feiten waarop de vordering is gebaseerd. Dat is vooral van belang wanneer men met het indienen van de vordering verjaring wil voorkomen. Eventuele bewijsstukken waaruit de vordering blijkt (§174, lid 1, tweede volzin, InsO), zoals overeenkomsten en facturen, dienen te worden bijgevoegd.

De curator plaatst de ingediende vorderingen op een lijst (Insolvenztabelle - §175, lid 1, eerste volzin, InsO). Nadat de indieningstermijn is verstreken, wordt de lijst voor de betrokken partijen ter inzage bij de faillissementsrechtbank gelegd.

Tijdens de verificatiezitting (Prüfungstermin) vindt door de faillissementsrechtbank een louter formele verificatie van de ingediende vorderingen plaats. De datum van de zitting wordt bij de opening van de insolventieprocedure vastgesteld. De schuldeisers die een vordering hebben ingediend, de curator en de failliet worden opgeroepen om ter zitting te verschijnen. De rechtbank verifieert de ingediende vorderingen niet inhoudelijk, maar stelt uitsluitend vast of deze door de curator, de failliet of een schuldeiser worden betwist. De uitkomsten van de verificatie worden op de lijst van vorderingen aangetekend (§178, lid 2, InsO).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een vordering die niet door de curator of een schuldeiser wordt betwist, geldt als erkend en wordt bij de verdeling van de boedel zonder meer in aanmerking genomen. Inschrijving van de erkende vordering op de lijst heeft in de insolventieprocedure kracht van gewijsde (§178, lid 3, InsO). Indien een vordering wordt betwist, moet de schuldeiser door middel van een vordering tot vaststelling van een rechtsverhouding (Feststellungsklage) proberen het bestaan van de vordering aan te tonen. Slaagt hij daarin, dan moet hij bij de faillissementsrechtbank een verzoek tot rectificatie van de lijst indienen (§183, lid 2, InsO). Indien de schuldeiser reeds beschikt over een titel die hij voor de opening van de insolventieprocedure jegens de schuldenaar heeft verkregen, heeft betwisting in principe geen gevolgen.

Betwisting van een ingediende vordering door de schuldenaar heeft gedurende de insolventieprocedure geen gevolgen. Indien de schuldenaar een vordering echter niet heeft betwist, kan de schuldeiser na beëindiging van de insolventieprocedure op grond van de lijst zelf executiemaatregelen tegen de schuldenaar nemen (§201, lid 2, InsO). Betwist de schuldenaar de vordering wel, dan is de schuldeiser aangewezen op een eerdere rechtsvordering.

8. Wat is een saneringsprocedure?

De vergadering van schuldeisers beslist welke richting de procedure inslaat. Zij beslist of een onderneming van de schuldenaar wordt stilgelegd of voorlopig wordt voortgezet. Zij kan de curator opdracht geven tot het opstellen van een insolventieplan en aangeven wat het doel van het plan moet zijn (§218, lid 2, InsO). Ook de schuldenaar en de curator hebben het recht een insolventieplan voor te leggen (§218, lid 1, InsO). In het insolventieplan kunnen regelingen worden getroffen die afwijken van de wettelijke bepalingen, met name regelingen die gericht zijn op het behoud van de onderneming.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het insolventieplan bestaat uit een beschrijvend deel en een operationeel deel. Het beschrijvende deel is bedoeld om de partijen te informeren en beschrijft welke maatregelen na de opening van de insolventieprocedure zijn genomen en nog moeten worden genomen (§220, InsO). Het operationele deel legt vast op welke wijze de rechten van de partijen door het plan moeten worden gewijzigd (§221, InsO).

De vergadering van schuldeisers is weliswaar zelf niet bevoegd initiatieven te nemen, maar kan de curator wel opdracht geven om een insolventieplan op te stellen. Zodra het plan is voorgelegd, wordt het onderworpen aan een initiële controle door de rechtbank (§231, InsO). Daarmee moet worden voorkomen dat de deelnemers zich moeten bezighouden met een onwettig of uitzichtloos plan, waardoor de insolventieprocedure wordt vertraagd. Indien de controle positief uitvalt, stuurt de rechtbank het plan voor advies door naar de commissie van schuldeisers, de schuldenaar, de curator en de ondernemingsraad en stelt ze een termijn vast waarbinnen de adviezen moeten worden gegeven (§232, InsO). Vervolgens bepaalt de rechtbank de datum van de zitting waar over het plan zal worden gesproken en gestemd. De datum wordt openbaar bekendgemaakt. Voor de zitting worden met name de schuldeisers die vorderingen hebben ingediend, de preferente schuldeisers, de curator, de schuldenaar en de ondernemingsraad opgeroepen (§235, lid 3, InsO). Allereerst worden de aanwezige deelnemers in de gelegenheid gesteld commentaar te geven op de regelingen van het insolventieplan. Vervolgens wordt er door de schuldeisers over het plan gestemd (§243 t/m §246, InsO). De schuldenaar moet in principe instemmen met het plan. Als hij bezwaar aantekent, is dat zonder gevolgen voor zover hij met het plan niet slechter af is dan wanneer er geen plan was geweest en voor zover er geen schuldeiser is die een economische waarde ontvangt die boven het totale bedrag van zijn vordering uitgaat (§247, lid 2, InsO). Indien het plan door de schuldeisers met de vereiste meerderheid wordt aangenomen, volgt nog een bevestiging door de faillissementsrechtbank (§ 248, lid 1, InsO).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Wanneer de gerechtelijke bevestiging in kracht van gewijsde gaat, treden de in het operationele deel van het insolventieplan vastgelegde rechtsgevolgen ten voordele dan wel ten nadele van de betrokken partijen in werking (§254, lid 1, eerste volzin, InsO). De faillissementsrechtbank gelast de beëindiging van de insolventieprocedure (§258, lid 1, InsO). Daarmee vervallen de functies van de curator en van de leden van de commissie van schuldeisers en krijgt de schuldenaar weer het recht vrij over de boedel te beschikken (§259, lid 1, InsO). Na de beëindiging van de insolventieprocedure heeft de voormalige failliet de plicht zorg te dragen voor de voldoening van de schuldvorderingen overeenkomstig het insolventieplan. Het operationele deel van het insolventieplan kan er echter ook in voorzien dat de voldoening plaatsvindt onder toezicht van de curator (§261, lid 1, eerste volzin, InsO).

9. Wat is een liquidatieprocedure?

Indien er geen insolventieplan wordt voorgelegd, gaat de curator over tot tegeldemaking van het tot de boedel behorende vermogen, om zo de boedel in geld om te zetten en dat geld onder de schuldeisers te kunnen verdelen. De curator beslist op basis van zijn discretionaire bevoegdheid op welke wijze de tegeldemaking concreet geschiedt. Doel daarvan is het verkrijgen van een zo groot mogelijke opbrengst. Tot de mogelijkheden behoren de verkoop van de onderneming of van afzonderlijke bedrijven van de schuldenaar als geheel dan wel de ontmanteling van de onderneming en de afzonderlijke verkoop van de verschillende tot het vermogen behorende goederen.

De opbrengst wordt door de curator verdeeld op basis van een uitdelingslijst, die hij aan de hand van de lijst van vorderingen (§175, InsO) dient op te maken. De uitdelingslijst moet alle vorderingen bevatten waarmee bij de verdeling rekening moet worden gehouden. De opbrengst wordt vervolgens naar evenredigheid van de hoogte van de vorderingen onder de schuldeisers verdeeld.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In de regel wordt niet pas met de uitdeling begonnen wanneer de tegeldemaking van de boedel is voltooid. Meestal vinden gedeeltelijke afbetalingen plaats (Abschlagszahlungen - §187, lid 2, eerste volzin, InsO), zodra zich voldoende liquide middelen in de boedel bevinden. Wanneer de tegeldemaking is voltooid, vindt de slotuitdeling plaats (§188, eerste volzin, InsO). Daarvoor is toestemming nodig van de faillissementsrechtbank (§196, lid 2, InsO). Indien alle vorderingen volledig kunnen worden voldaan, dient de curator de overgebleven baten terug te geven aan de failliet (§199, eerste volzin, 1 InsO).

10. Wat zijn de voorwaarden voor de beëindiging van de procedure?

Nadat de slotuitdeling heeft plaatsgevonden, wordt de insolventieprocedure officieel beëindigd. De beschikking tot beëindiging van de procedure wordt openbaar bekendgemaakt. Na de beëindiging van de insolventieprocedure kunnen de schuldeisers hun resterende vorderingen op de schuldenaar zonder beperking doen gelden. Dat is niet het geval wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is en een verzoek tot kwijtschelding van de restschulden heeft ingediend. Wordt dat verzoek toegewezen, dan kunnen de schuldeisers hun vorderingen niet meer op de schuldenaar verhalen (met uitzondering van de in §302, InsO genoemde vorderingen). Met de beëindiging van de insolventieprocedure herkrijgt de schuldenaar de bevoegdheid tot beheer en beschikking over het vermogen dat tot dan toe tot het faillissement behoorde.

Bij de procedure die leidt tot een insolventieplan wordt de insolventieprocedure beëindigd zodra de bevestiging van het plan in kracht van gewijsde gaat (§258, lid 1, InsO).  

« Faillissement - Algemene informatie | Duitsland - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 15-03-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk