Europese Commissie > EJN > Toepasselijk recht > Zweden

Laatste aanpassing: 05-09-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Toepasselijk recht - Zweden

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


 

INHOUDSOPGAVE

I. Bronnen van geldend recht I.
I.1. Het interne recht I.1.
I.2. Multilaterale verdragen I.2.
I.3. Bilaterale verdragen I.3.
II. Toepassing van het conflictenrecht II.
II.1. Ambtshalve toepassing van het conflictenrecht II.1.
II.2. Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing) II.2.
II.3. Wijziging aanknopingspunt II.3.
II.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht II.4.
II.5. Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht II.5.
III. Conflictenrecht III.
III.1. Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen III.1.
III.2. Niet-contractuele verbintenissen III.2.
III.3. De staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid) III.3.
III.4. Afstamming en adoptie III.4.
III.5. Huwelijk, geregistreerd partnerschap, ongehuwd samenwonen, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, alimentatie III.5.
III.6. Huwelijksvermogensrecht III.6.
III.7. Erfrecht III.7.
III.8. Goederenrecht III.8.
III.9. Insolventie III.9.

 

I. Bronnen van geldend recht

I.1. Het interne recht

Het internationaal privaatrecht is in Zweden slechts gedeeltelijk gecodificeerd en bestaat uit een combinatie van geschreven recht en jurisprudentie. Het geschreven recht heeft hoofdzakelijk tot doel uitvoering te geven aan de internationale verdragen waarbij Zweden partij is. Hieronder volgt de voornaamste wetgeving:

Huwelijk en kinderen

  • Hoofdstuk 3, §§ 4 en 6 van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1)
  • §§ 9, 12 en 13 van het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429)
  • § 2 van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie (1971:796)
  • §§ 2, 3 en 6 van de Wet betreffende internationale afstammingsvraagstukken (1985:367)
  • §§ 3‑5 van de Wet betreffende bepaalde internationale vraagstukken in verband met het huwelijksvermogen (1990:272)

Nalatenschap

  • §§ 1‑5, 7‑19 en 21 van de Wet betreffende de nalatenschappen van Deense, Finse, IJslandse en Noorse staatsburgers met een gewone verblijfplaats in Zweden (1935:44)
  • Hoofdstuk 1 van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen in verband met nalatenschappen (1937:81)

Overeenkomsten en koop

  • §§ 79‑87 van de Wisselwet (1932:130)
  • §§ 58‑65 van de Chequewet (1932:131)
  • De Wet betreffende het op de koop van roerende zaken toepasselijke recht (1964:528)
  • §§ 25a, 31a en 42 van de Wet betreffende medezeggenschap op het werk (1976:580)
  • De Wet betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten (1993:645)
  • Hoofdstuk 13, § 2, van de Koopvaardijwet (1994:1009)
  • § 13 van de Wet betreffende contractvoorwaarden inzake consumentenbetrekkingen (1994:1512)
  • § 18 van de Wet betreffende de bescherming van consumenten met betrekking tot timesharing van onroerend goed (1997:218)
  • De Wet betreffende het recht dat van toepassing is op contractuele verbintenissen (1998:167)
  • Hoofdstuk 5, § 2, van de Wet betreffende verkoop op afstand en verkoop aan huis (2005:59)

Vergoeding van letselschade

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  • §§ 8, 14 en 38 van de Wet betreffende letstel ten gevolge van verkeersongevallen (1975:1410)
  • § 1 van de Wet (1972:114) in samenhang met het Verdrag van 9 februari 1972 tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren
  • § 1 van de Wet (1974:268) in samenhang met het Milieuverdrag van 19 februari 1974 tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

I.2. Multilaterale verdragen

Zweden is partij bij de volgende multilaterale internationale verdragen die bepalingen bevatten over het toepasselijk recht. Zweden hanteert ten aanzien van internationale verdragen een dualistisch stelsel, en de betreffende multilaterale overeenkomsten zijn dan ook omgezet in nationale wetgeving: zie 1.1.

De Volkenbond

  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes van 1930
  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques van 1931

De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht

  • Het Verdrag nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet van 1955
  • Het Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van 1961

EU

  • Het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980

Noordse verdragen

  • Het Verdrag tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende internationaal‑privaatrechtelijke bepalingen terzake van huwelijk, adoptie en voogdij van 1931 (laatstelijk gewijzigd bij een wijzigingsovereenkomst van 2001)
  • Het Verdrag tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden inzake erfopvolging, testamenten en beheer over nalatenschappen van 1934 (laatstelijk gewijzigd bij een wijzigingsovereenkomst van 1975)
  • Het Milieuverdrag tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

I.3. Bilaterale verdragen

  • Het Verdrag tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren van 1972

II. Toepassing van het conflictenrecht

II.1. Ambtshalve toepassing van het conflictenrecht

Het Zweedse recht kent geen bepaling op grond waarvan een rechtbank ambtshalve gehouden is buitenlands recht toe te passen. Het vraagstuk komt voornamelijk aan de orde in de jurisprudentie, en hierin lijkt een onderscheid gemaakt te worden tussen optionele procedures (dispositiva mål), dat wil zeggen procedures met betrekking tot onderwerpen waarover partijen bij overeenkomst een besluit kunnen nemen, en dwingende procedures (indispositiva mål), dat wil zeggen procedures met betrekking tot onderwerpen waarover alleen een rechtbank een besluit kan nemen. Het lijkt erop dat bij optionele procedures een van de partijen zich moet beroepen op buitenlands recht alvorens het kan worden toegepast. Er zijn veel zaken met een duidelijk buitenlands aspect waarin Zweeds recht is toegepast zonder dat dit vragen opriep, omdat geen der partijen een beroep deed op buitenlands recht. In dwingende procedures, bijvoorbeeld in verband met de vaststelling van vaderschap, zijn er daarentegen zaken geweest waarin rechtbanken eigener beweging buitenlands recht hebben toegepast.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

II.2. Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Het Zweedse internationaal privaatrecht staat over het algemeen negatief tegenover renvoi. Hierop bestaat echter een uitzondering, die is neergelegd in § 79, tweede alinea van de Wisselwet en § 58, tweede alinea van de Chequewet, en betrekking heeft op de mogelijkheid van buitenlandse onderdanen om transacties te verrichten met wissels of cheques. De reden hiervoor is dat deze bepalingen gebaseerd zijn op internationale verdragen. Er zijn nog meer uitzonderingen, die zijn vastgelegd in § 9, tweede alinea van de Wet betreffende de effecten van insolventie in andere Noordse landen (1981:7) en §§ 5-7 van de Wet betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten (1993:645). Tot slot wordt renvoi wat betreft de formele geldigheid van een huwelijk erkend in § 1, zevende alinea van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1).

II.3. Wijziging aanknopingspunt

Het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen algemene regel voor de eventuele gevolgen van een wijziging in aanknopingspunt: deze kwestie is specifiek geregeld in iedere aparte wet. In § 4, eerste alinea van de Wet betreffende bepaalde internationale vraagstukken in verband met het huwelijksvermogen (1990:272) staat bijvoorbeeld: “Indien er nog geen overeenstemming is bereikt over de vaststelling van het toepasselijk recht, is het toepasselijk recht het recht van de staat waarin de echtgenoten hun gewone verblijfplaats (hemvist) vestigden toen zij huwden”. In § 4, tweede alinea van dezelfde wet staat: “Indien beide echtgenoten vervolgens hun gewone verblijfplaats vestigden in een andere staat en daar ten minste twee jaar woonden, is het recht van die staat van toepassing”.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

II.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht

Als algemeen beginsel van het Zweedse internationaal privaatrecht wordt aanvaard dat een buitenlandse rechtsbepaling niet moet worden toegepast wanneer dit kennelijk onverenigbaar zou zijn met de grondbeginselen van het Zweedse rechtsstelsel. Bepalingen met die strekking kunnen worden aangetroffen in veel internationaal-privaatrechtelijke wetgeving. Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat voor een beperking op grond van de openbare orde een wettelijke basis noodzakelijk is. Er zijn maar zeer weinig uitspraken waarin de rechter van oordeel was dat buitenlands recht niet kon worden toegepast op grond van de openbare orde.

Vaststellen welke Zweedse rechtsregels internationaal verplicht zijn is doorgaans een zaak voor de rechterlijke macht.

II.5. Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Indien de rechter niet bekend is met de inhoud van het buitenlands recht dat naar zijn oordeel moet worden toegepast, heeft hij twee mogelijkheden. De rechtbank stelt zelf een onderzoek in of verzoekt een partij de noodzakelijke informatie over te leggen. Voor welke mogelijkheid gekozen wordt, is een kwestie van doelmatigheid. Wanneer de rechter besluit de zaak zelf te onderzoeken, kan hij een beroep doen op ondersteuning door het ministerie van Justitie. Over het algemeen zal de rechtbank zich bij dwingende procedures actiever opstellen dan bij optionele procedures (zie boven); bij optionele procedures kan de rechtbank het onderzoek grotendeels overlaten aan de partijen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III. Conflictenrecht

III.1. Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Zweden is partij bij het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980. Op andere terreinen gelden andere regels.

De verkoop van roerende zaken valt onder de Wet betreffende het op de koop van roerende zaken toepasselijke recht (1964:528), die het resultaat is van de omzetting in nationale wetgeving van het Haags Verdrag nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet van 1955. De wet is gebaseerd op de regels die zijn vastgelegd in het Verdrag van Rome, maar strekt zich niet uit tot consumentenovereenkomsten. § 3 biedt koper en verkoper de mogelijkheid om in onderlinge overeenstemming het toepasselijk recht vast te stellen. In § 4 is bepaald dat indien partijen het toepasselijk recht niet hebben bepaald, het recht dat van toepassing is dat van het land is waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Er bestaat een uitzondering op deze regel wanneer de verkoper de order heeft aanvaard in het land waar de koper zijn gewone verblijfplaats heeft, of als het gaat om verwerving aan een beurs of tijdens een veiling.

Er geldt nog een uitzondering op de regels van het Verdrag van Rome voor bepaalde consumentenovereenkomsten. In § 13 van de Wet betreffende contractvoorwaarden inzake consumentenbetrekkingen (1994:1512), § 18 van de Wet betreffende de bescherming van consumenten met betrekking tot timesharing van onroerend goed (1997:218) en § 5, tweede alinea van de Wet betreffende verkoop op afstand en verkoop aan huis (2005:59) zijn bijzondere regels neergelegd die tot doel hebben consumenten te beschermen tegen clausules betreffende de keuze van toepasselijk recht. Hierin is bepaald dat onder bepaalde omstandigheden het recht van een EER-land moet worden toegepast indien dit recht de consument betere bescherming biedt.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Er zijn specifieke regels voor wissels en cheques neergelegd in §§ 79-87 van de Wisselwet (1932:130) en §§ 58-65 van de Chequewet (1932:131). Deze regels zijn gebaseerd op het Verdrag van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes van 1930 en het Verdrag van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques van 1931.

Bepaalde overeenkomsten inzake levens- en overige verzekeringen vallen onder de Wet betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten (1993:645).

III.2. Niet-contractuele verbintenissen

De vraag welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen is in algemene zin niet bij wet bepaald. In de uitspraak in de zaak met referentienummer NJA 1969 s. 163 was de rechter van oordeel dat de aansprakelijkheid voor de vergoeding van schade in niet-contractuele zaken moest worden vastgesteld overeenkomstig het recht van het land waar de handeling waardoor de schade werd veroorzaakt was verricht (de lex loci delicti). In die zaak werd het feit dat de veroorzaker van de schade en de benadeelde dezelfde gewone verblijfplaats hadden niet in aanmerking genomen. Er zijn geen uitspraken op basis waarvan kan worden bepaald welk recht moet worden toegepast indien de handeling waardoor de schade werd veroorzaakt zou zijn verricht in een ander land dan dat waarin de directe schade zich voordoet.

III.3. De staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

In het Zweedse internationaal privaatrecht was het bepalende aanknopingspunt voor de vaststelling van de staat van personen traditioneel altijd hun nationaliteit. Er zijn inmiddels echter zoveel zaken geweest waarin de nationaliteit haar plaats als voornaamste aanknopingspunt heeft moeten afstaan aan de gewone verblijfplaats dat het te betwijfelen valt of men nog kan spreken van één voornaamste aanknopingspunt voor de staat van personen. In het Zweedse internationaal privaatrecht wordt met het begrip de “staat van personen” in essentie gedoeld op kwesties in verband met de handelingsbekwaamheid en de naam van personen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Krachtens hoofdstuk 1, § 1, van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1), dient de mogelijkheid om te huwen voor de Zweedse wet in beginsel vastgesteld te worden overeenkomstig Zweeds recht als een van beide partijen de Zweedse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Zweden heeft. Soortgelijke regels gelden in het Noordse kader krachtens § 1 van het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429).

Er gelden bijzonder regels voor voogdij en trusts die zijn opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1) en in §§ 14‑21a van het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429).

Krachtens hoofdstuk 1, § 3, van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen in verband met nalatenschappen (1937:81) valt de mogelijkheid om een testament op te maken of in te trekken onder het recht van de nationaliteit van de erflater.

Op de vraag welk recht van toepassing is op de mogelijkheid overeenkomsten te sluiten geeft artikel 11 van het Verdrag van Rome een gedeeltelijk antwoord. Op de mogelijkheid om transacties te verrichten met wissels of cheques zijn bijzondere regels van toepassing die te vinden zijn in § 79 van de Wisselwet en § 58 van de Chequewet.

Hoofdstuk 11, § 3, van het Zweedse Wetboek van rechtsvordering bevat een bijzondere bepaling inzake de actieve en passieve procesbevoegdheid, waarin staat dat een buitenlandse partij die in haar eigen land geen gerechtelijk proces kan voeren dat in Zweden wel mag doen als zij daartoe overeenkomstig Zweeds recht bevoegd is.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In het Zweedse internationaal privaatrecht worden kwesties in verband met namen beschouwd als behorend tot het recht in verband met de staat van personen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het aannemen van de naam van de ene echtgenoot door de andere niet wordt aangemerkt als een zaak die verband houdt met de rechtsgevolgen van een huwelijk in de privésfeer. Krachtens § 50 van de Wet betreffende persoonsnamen (1982:670), is de wet niet van toepassing op Zweedse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Denemarken, Noorwegen of Finland hebben; hieruit kan a contrario worden geconcludeerd dat deze wet wel van toepassing is op Zweedse staatsburgers met een gewone verblijfplaats elders. § 51 bepaalt dat de wet ook geldt voor buitenlandse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Zweden hebben.

III.4. Afstamming en adoptie

In het Zweedse materieel recht wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettige en onwettige kinderen, en het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen specifieke verwijzingsregels om te bepalen of een kind beschouwd moet worden als binnen- of buitenechtelijk, en of een kind later erkend kan worden.

Met betrekking tot het recht dat van toepassing is op de vaststelling van het vaderschap gelden er verschillende regels voor het vermoeden van vaderschap en voor de vaststelling van het vaderschap door een rechtbank. Het vermoeden van vaderschap wordt beheerst door § 2 van de Wet betreffende internationale afstammingsvraagstukken (1985:367). Hierin is bepaald dat een man die gehuwd is of is geweest met de moeder van een kind vermoed wordt de vader van dat kind te zijn indien zulks voortvloeit uit het recht van de staat waar het kind bij zijn geboorte zijn gewone verblijfplaats had, of, wanneer volgens dat recht niemand als vader wordt beschouwd, indien zulks voortvloeit uit het recht van de nationaliteit van het kind bij geboorte. Als het kind bij geboorte echter zijn gewone verblijfplaats in Zweden had, wordt het vaderschap altijd bepaald overeenkomstig Zweeds recht. Indien de afstamming van een kind door een rechtbank moet worden vastgesteld, past de rechter het recht toe van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Krachtens § 2, eerste alinea van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie (1971:796) dient een Zweedse rechtbank op een aanvraag voor adoptie Zweeds recht toe te passen. In § 2, tweede alinea wordt echter bepaald dat als de aanvraag een kind onder de 18 jaar betreft, de rechtbank moet overwegen of aanvrager of kind op grond van nationaliteit, gewone verblijfplaats of anderszins banden hebben met een andere staat, en of dit naar verwachting problemen zal opleveren voor het kind indien de adoptie in dat land niet wordt erkend.

Wat de rechtsgevolgen van adoptie betreft: wanneer een buitenlandse adoptiebeschikking geldig is in Zweden, wordt het geadopteerde kind beschouwd als het kind van de adoptieouders uit een Zweeds huwelijk ten aanzien van ouderlijke verantwoordelijkheid, voogdij en alimentatie. In het geval van erfopvolging voorziet de wet echter alleen in gelijke behandeling van de geadopteerde en de eigen kinderen van adoptieouders als de adoptie in Zweden heeft plaatsgevonden. Als de adoptie in het buitenland heeft plaatsgevonden, wordt het erfrecht van het geadopteerde kind behandeld overeenkomstig het recht dat over het algemeen op dergelijke aanspraken van toepassing is, namelijk het recht van het land van nationaliteit.

III.5. Huwelijk, geregistreerd partnerschap, ongehuwd samenwonen, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, alimentatie

Wat betreft de mogelijkheid om te huwen, zie paragraaf 3.3. Een huwelijk wordt geacht naar de vorm geldig te zijn, als het geldig is in het land waar het is gesloten (hoofdstuk 1, § 7, van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1)).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De rechtsgevolgen van een huwelijk kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: gevolgen in de privésfeer en gevolgen in verband met de vermogens van de echtgenoten. Het voornaamste gevolg van het huwelijk op persoonlijk vlak is dat de echtgenoten een wederzijdse onderhoudsplicht hebben. In het Zweedse internationaal privaatrecht worden kwesties in verband met het erfrecht van echtgenoten, het aannemen van de naam van de andere echtgenoot of hun onderhoudsplicht jegens de kinderen van de andere echtgenoot niet beschouwd als rechtsgevolgen van het huwelijk, en welk recht op dergelijke kwesties van toepassing is, wordt bepaald door de verwijzingsregels die gelden voor het erfrecht, persoonsnamen, enz.

De vraag welk recht van toepassing is op het onderhoud van een echtgenoot is niet wettelijk geregeld. In zaken waarin de echtgenoten gedurende het huwelijk hun gezamenlijke gewone verblijfplaats hadden in het land waar de echtgenoot die recht heeft op alimentatie zijn huidige gewone verblijfplaats heeft is het recht van dat land toegepast. Het hoogste rechtscollege (Högsta domstol) heeft nog geen uitspraak gedaan over de vraag welk recht van toepassing is indien degene die recht heeft op alimentatie is verhuisd naar een ander land, maar er zijn wel uitspraken van de beroepsinstanties (hovrätt) waaruit de bereidheid blijkt om het recht toe te passen van het land waarnaar de persoon in kwestie is verhuisd. In zaken waarin het toepasselijk recht werd overeengekomen nadat het geschil was ontstaan zijn de afspraken hierover gerespecteerd.

In kwesties in verband met echtscheiding bepaalt hoofdstuk 3, § 4, eerste alinea, van de Wet betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (1904:26 s. 1) dat de Zweedse rechtbanken Zweeds recht dienen toe te passen. In § 4, tweede alinea, wordt een uitzondering gemaakt voor zaken waarin geen van beide echtgenoten Zweeds staatsburger is en geen van beiden ten minste één jaar zijn of haar gewone verblijfplaats in Zweden heeft.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het Zweedse materieel recht kent geen bepalingen inzake scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk, en er zijn geen algemeen geldende verwijsregels die in dergelijke zaken van toepassing zouden zijn. Wat de Noordse landen betreft, bepaalt § 9 van het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429) dat de rechtbank in zaken betreffende scheiding van tafel en bed zijn eigen recht moet toepassen.

Krachtens hoofdstuk 3, § 1, van de Wet inzake geregistreerd partnerschap (1994:1117) heeft het partnerschap tussen twee personen van hetzelfde geslacht dezelfde rechtsgevolgen als het huwelijk. In hoofdstuk 3, § 4, wordt echter een uitzondering gemaakt voor de toepassing van het reeds genoemde besluit, het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429).

III.6. Huwelijksvermogensrecht

Welk recht van toepassing is op het vermogen van gehuwden is vastgelegd in de Wet betreffende bepaalde internationale vraagstukken in verband met het huwelijksvermogen (1990:272). § 3 van de wet biedt gehuwden en stellen die een huwelijk overwegen de mogelijkheid een schriftelijke overeenkomst op te stellen waarin wordt vastgelegd dat hun huwelijksvermogen wordt beheerst door het recht van een land waar een van beiden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn of haar gewone verblijfplaats heeft of waarvan hij of zij de nationaliteit heeft.

Indien de echtgenoten geen geldige overeenkomst hebben gesloten over het toepasselijk recht, bepaalt § 4 van de wet dat het toepasselijk recht het recht is van het land waar zij na hun huwelijk hun gewone verblijfplaats vestigen. Wanneer beide echtgenoten vervolgens hun gewone verblijfplaats naar een ander land verplaatsen, en daar ten minste twee jaar wonen, wordt het recht van dat land toegepast. Als beide echtgenoten gedurende hun huwelijk hun gewone verblijfplaats echter al in die staat hadden, of als beiden onderdaan zijn van die staat, wordt het recht van die staat toegepast vanaf het moment dat zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In § 5 van de wet staat dat een overeenkomst over het toepasselijk recht geldig is wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogen op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Indien de overeenkomst over het toepasselijk recht wordt gesloten vóór het huwelijk, is deze geldig wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing wordt wanneer de echtgenoten in het huwelijk treden. Een overeenkomst over het toepasselijk recht is geldig naar de vorm als deze voldoet een de formele vereisten die zijn neergelegd in het recht van de staat waar de overeenkomst is gesloten of waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben.

Voor zaken waarin Noordse landen een rol spelen zijn er bijzondere regels neergelegd in het Besluit betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (1931:429).

III.7. Erfrecht

Hoofdstuk 1, § 1, eerste alinea van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen in verband met nalatenschappen (1937:81) bepaalt dat het recht om te erven uitsluitend beoordeeld dient te worden op grond van het recht van de nationaliteit van de overledene bij overlijden. Dat recht beheerst zaken als wie er recht hebben om te erven, hoe groot hun deel van de nalatenschap is, en of er eventueel sprake is van een wettelijke verdeling. Ook op een onderhoudsrecht van een erfgenaam buiten erfdeel is het recht van toepassing dat de erfopvolging beheerst.

Krachtens hoofdstuk 1, § 8, van de Wet betreffende internationale rechtsbetrekkingen in verband met nalatenschappen (1937:81) moet de vraag of een schenking moet worden beschouwd als een schenking bij vooruitmaking en buiten erfdeel worden beantwoord op grond van het recht van de nationaliteit van de overledene ten tijde van de schenking. Op dezelfde wijze wordt in hoofdstuk 7 van de wet bepaald dat over het verbindende karakter van overeenkomsten met de overledene betreffende toekomstige erfopvolging en van schenkingen in het zicht van de dood moet worden besloten overeenkomstig het recht van de nationaliteit van de overledene ten tijde van de transactie.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In hoofdstuk 1, § 9, van de wet is bepaald dat over de vraag in hoeverre een persoon de mogelijkheid heeft te erven, moet worden besloten overeenkomstig het recht van de nationaliteit van de betreffende persoon.

Krachtens hoofdstuk 1, § 3, van de wet dient de mogelijkheid om een testament op te maken of in te trekken te worden beheerst door het recht van de nationaliteit van de erflater ten tijde van de transactie.

Hoofdstuk 1, § 4, bepaalt dat testamenten naar de vorm geldig worden geacht als zij voldoen aan de formele vereisten die zijn neergelegd in het recht van het land waar het testament werd opgemaakt of van de nationaliteit van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament of bij overlijden. Voor zover het testament betrekking heeft op onroerende zaken wordt het ook naar de vorm geldig geacht als het voldoet aan de formele vereisten die zijn neergelegd in het recht van het land waar de onroerende zaken zich bevinden. Hetzelfde geldt voor het intrekken van testamenten. In deze bepaling wordt het Haags Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van 1961 ten uitvoer gelegd.

In hoofdstuk 1, § 5, van de wet staat dat de geldigheid van de inhoud van een testament moet worden bepaald overeenkomstig het recht van de nationaliteit van de erflater bij overlijden. Krachtens hoofdstuk 1, § 6, van de wet geldt hetzelfde voor de vraag of het testament ongeldig is op grond van geestesziekte, fraude, dwaling, dwang of enige andere vorm van ongepaste beïnvloeding.

Er gelden bijzondere regels voor zaken waarin Noordse landen een rol spelen. Die regels zijn neergelegd in de Wet betreffende de nalatenschappen van Deense, Finse, IJslandse en Noorse staatsburgers met een gewone verblijfplaats in Zweden (1935:44).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III.8. Goederenrecht

In het goederenrecht zijn er slechts in bepaalde gevallen geschreven verwijsregels, namelijk bij zaken die verband houden met schepen en vliegtuigen, effecten, en cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een staat zijn gebracht, en in bepaalde situaties die zijn vastgelegd in het Noords Faillissementsverdrag en de EG-verordening betreffende insolventieprocedures.

De goederenrechtelijke gevolgen van bijvoorbeeld het verwerven of verhypothekeren van roerende of onroerende zaken dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het recht van het land waar de zaken zich bevinden ten tijde van het verwerven of verhypothekeren. Dat recht is bepalend voor de aard van de eigendomsrechten, voor de vraag hoe een eigendomsrecht tot stand komt en wordt beëindigd, welke formele vereisten er gelden en welke rechten het eigendomsrecht oplevert ten opzichte van derden.

Met betrekking tot buitenlandse zekerheidsrechten is in de jurisprudentie vastgelegd dat als de koper op het moment dat het zekerheidsrecht ontstond, wist dat het goed naar Zweden zou worden overgebracht en dat het zekerheidsrecht in Zweden niet geldig was, de verkoper in plaats daarvan een zekerheid had moeten verkrijgen die wel voldeed aan de in de Zweedse wet neergelegde vereisten. Daarnaast kan een buitenlands zekerheidsrecht niet worden geëffectueerd zodra er enige tijd is verstreken na de overbrenging van het goed naar Zweden. In dat geval is de overweging dat de buitenlandse schuldeiser de tijd heeft gehad om een nieuwe zekerheid te verkrijgen ofwel om de schuld in te vorderen.

III.9. Insolventie

Bij een Zweeds faillissement is het Zweedse recht van toepassing op de eigenlijke procedures en op overige kwesties in verband met insolventie, zoals de voorwaarden voor het inleiden van de procedure.

Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures bevat bijzondere regels voor zaken waarbij andere EU-lidstaten betrokken zijn.

« Toepasselijk recht - Algemene informatie | Zweden - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 05-09-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk