Europese Commissie > EJN > Toepasselijk recht > België

Laatste aanpassing: 09-11-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Toepasselijk recht - België

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


Deze bladzijde zal binnenkort bijgewerkt worden

 

INHOUDSOPGAVE

I. De bronnen van het geldend recht I.
I.1. Het interne recht I.1.
I.2. Multilaterale internationale verdragen I.2.
I.3. Belangrijke bilaterale verdragen I.3.
II. De implementatie van het conflictenrecht II.
II.1. Ambtshalve toepassing door de rechter van het conflictenrecht II.1.
II.2. Herverwijzing II.2.
II.3. De aanknopingsfactor II.3.
II.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht II.4.
II.5. Het bewijs van vreemd recht II.5.
III. Conflictenrecht III.
III.1. Contractuele verplichtingen en wettelijke akten III.1.
III.2. Niet-contractuele verplichtingen (burgerrechtelijke aansprakelijkheid, verrijking zonder oorzaak) III.2.
III.3. De burgerlijke staat van de persoon (naam, woonplaats, hoedanigheid) III.3.
III.4. De ouder- kindrelatie, adoptie III.4.
III.4.1. Oorspronkelijke afstamming III.4.1.
III.4.2. Adoptie III.4.2.
III.5. Het huwelijk, ongehuwde partnerschappen, echtscheiding, alimentatieverplichtingen III.5.
III.5.1. Onderhoudsvorderingen III.5.1.
III.5.2. Huwelijk, samenleven en echtscheiding III.5.2.
III.6. Huwelijksvermogensstelsels III.6.
III.7. Erfenissen en testamenten III.7.
III.8. Onroerend goed III.8.
III.9. Faillissement III.9.

 

I. De bronnen van het geldend recht

I.1. Het interne recht

De bindende bronnen van het Belgische interne recht zijn de wetgeving, de algemene rechtsbeginselen en het gewoonterecht. Wetgeving is noodzakelijk uitgevaardigd door een overheid, algemene rechtsbeginselen hebben rechtskracht omdat de maatschappij overtuigd is van hun juridische waarde en gewoonterecht bestaat uit ongeschreven gebruiken en gewoonten die algemeen aanvaard zijn.

In België kent men geen precedentensysteem: de rechtspraak is immers, net zoals de rechtsleer, slechts een gezaghebbende bron van recht. Rechterlijke uitspraken gelden enkel tussen partijen en binden andere rechters, die in gelijkaardige gevallen een vonnis vellen, niet. Op het Arbitragehof na kan geen enkel rechtscollege andere rechtscolleges verplichten om een bepaalde lijn in de rechtspraak te volgen. Zelfs een verbrekingsarrest van het Hof van Cassatie legt geen dwingende richtlijnen vast voor de rechtbank waarnaar het Hof de zaak voor een nieuwe behandeling verwijst. Pas indien het Hof van Cassatie voor de tweede maal in dezelfde zaak een arrest velt, wordt de inhoud van dit arrest bindend voor de rechtbank die de zaak definitief moet beslechten.

I.2. Multilaterale internationale verdragen

Opmerking:

De Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken heeft een databank met een overzicht van de multilaterale en bilaterale verdragen sinds 1987: http://www.diplomatie.be/nl/treaties/treaties.asp

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De tekst van vele verdragen die in België in werking zijn, is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad: elektronisch te raadplegen sinds 1997: www.just.fgov.be .U kan de tekst van vele verdragen, zelfs van voor 1997, ook vinden op dezelfde webstek in "geconsolideerde wetgeving" (op 1 augustus 2004, 2800 items).

In beginsel is België een soevereine staat die het opperste gezag heeft over zijn rechtsonderhorigen. Door de groeiende internationalisering van de samenleving wordt België echter steeds meer gebonden door regelgeving van supranationale en internationale organisaties en instellingen. Onder andere de Europese Unie (E.U.), de Verenigde Naties (V.N.), de Noord-Atlantische verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa drukken hun stempel op het Belgische recht. Dit gebeurt enerzijds door (al dan niet rechtstreeks werkende) verdragen en verordeningen uit te vaardigen, anderzijds door richtlijnen en technieken van juridische harmonisatie op te leggen, zodat de lidstaten van die organisaties verplicht worden hun interne rechtssystemen aan te passen.

Als rechtstreeks geldende mensenrechtenverdragen kennen we het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Economisch en Sociaal Handvest, beide uitgevaardigd door de Raad van Europa. De tegenhangers van deze verdragen op het niveau van de Verenigde Naties zijn respectievelijk het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten en het Internationaal Verdrag inzake Sociale, Economische en Culturele Rechten.

De Europese Unie (E.U.) heeft als supranationale organisatie een wezenlijke invloed op haar lidstaten, waaronder België. De belangrijkste rechtsinstrumenten van de E.U. zijn de rechtstreeks werkende verordeningen en de door de lidstaten zelf om te zetten richtlijnen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In het kader van de uitbouw van allerhande rechtstakken, zoals het internationaal privaatrecht, het internationaal strafrecht en het internationaal economisch en handelsrecht, zijn er talloze instellingen en organisaties actief. Om er maar enkele op te noemen: de Verenigde Naties, UNCITRAL, De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, UNIDROIT, de Raad van Europa, de Europese Unie en de Europese Gemeenschap, de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand, IMO (International Maritime Organization), IATA (Luchtvaart), BENELUX …

I.3. Belangrijke bilaterale verdragen

Zowel de federale overheid als de deelstatelijke overheden in België hebben de mogelijkheid, elk wat hun materiële bevoegdheden betreft, om bilaterale verdragen te sluiten met andere landen of regio's in de wereld. Het merendeel van deze verdragen komt tot stand met buurlanden of met landen waarmee België nauwe of belangrijke commerciële relaties onderhoudt.

II. De implementatie van het conflictenrecht

Opmerking:

In het Belgisch Staatsblad is op 27 juli 2004 de wet van

16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (hierna: Wetboek IPR) bekendgemaakt (www.just.fgov.be). De wet is te raadplegen op dezelfde webstek in "geconsolideerde wetgeving". De tekst van deze laatste versie zal worden aangepast telkens wanneer het Parlement een wijziging heeft aangenomen.

Dit dossier is gebaseerd op het Wetboek IPR. Voor wat de bepalingen betreft in deze wet aangaande enerzijds internationale bevoegdheid en anderzijds uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten, geldt dat ze respectievelijk van toepassing zijn op rechtsvorderingen ingesteld na de inwerkingtreding van de wet of zijn totstandgekomen na de inwerkingtreding ervan. Voor de gevallen die niet voldoen aan de overgangsbepalingen van het wetboek IPR gelden tal van diverse wetten, alsook de rechtspraak en de rechtsleer. Raadpleeg onder andere:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het wetboek IPR kan bovendien slechts worden toegepast als geen toepassing kan worden gemaakt van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten.

II.1. Ambtshalve toepassing door de rechter van het conflictenrecht

De Belgische rechter past niet enkel Belgisch recht toe. Dikwijls is hij verplicht om zijn vonnis te vellen op basis van buitenlands of vreemd recht. Zo bepaalt het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 het recht dat de rechter moet toepassen in het geval van verbintenissen uit overeenkomsten met een internationaal karakter.

Het Belgische Internationaal Privaatrecht bepaalt dat het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie en dat de rechter een beroep kan doen op de hulp van de partijen indien hij de inhoud van het buitenlands recht niet zelf kan vaststellen. Wanneer het manifest onmogelijk is voor de rechter om de inhoud van buitenlands recht tijdig vast te stellen, wordt alsnog Belgisch recht toegepast (zie art. 15 van het Wetboek IPR).

II.2. Herverwijzing

In beginsel is herverwijzing (of doorverwijzing) in België verboden. Indien een Belgische rechter bevoegd is om een zaak naar buitenlands recht te beslechten, mag hij die zaak niet doorverwijzen naar een buitenlandse rechter (zie art. 16 van het Wetboek IPR).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

II.3. De aanknopingsfactor

De aanknopingsfactor wordt bepaald door het Wetboek van Internationaal Privaatrecht. De factor verschilt al naargelang van het onderwerp: voorbeeld 1. voor het bepalen van de rechtsmacht is de relevante aanknopingsfactor de verblijfplaats van de verweerder, voorbeeld 2. de staat en de bekwaamheid van een persoon worden beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft (behoudens wettelijke uitzonderingen).

II.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht

Het Belgische Internationaal Privaatrecht bepaalt dat het door de partijen aangewezen Belgische recht uitzonderlijk niet van toepassing is wanneer uit het geheel van de omstandigheden duidelijk blijkt dat het geval slechts een zeer zwakke band heeft met België, maar zeer nauw verbonden is met een andere staat. In dat geval wordt het recht van deze andere staat toegepast.

De exceptie van de internationale openbare orde laat de Belgische rechter toe om sommige aspecten van buitenlandse wetgeving niet toe te passen indien zij onduldbare gevolgen voor de Belgische rechtsorde zouden impliceren.

II.5. Het bewijs van vreemd recht

De Belgische rechter kan een beroep doen op de partijen om de inhoud en de draagwijdte van het buitenlandse recht vast te stellen. De rechter kan ook toepassing maken van de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, opgemaakt te Londen op 7 juni 1968. Wanneer authentiek bewijs wordt verlangd, wordt de partij verzocht een wetscertificaat voor te leggen, dit wil zeggen een document waarin de bevoegde buitenlandse overheid authentiek bewijs levert over de regelgeving die in haar land van toepassing is of was.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III. Conflictenrecht

Wanneer een geschil een internationaal karakter vertoont, moeten we ons steeds twee vragen stellen: A. Welke rechter is bevoegd? 2. Welk recht moet deze rechter op het geschil toepassen?

A. BEVOEGDE RECHTER

Om te weten welke rechter bevoegd is moet er in eerste instantie gekeken worden naar Europese regelgeving, aangezien die primeert op ons nationaal Internationaal Privaatrecht. Op dit niveau zijn er volgende belangrijke bronnen: de Verordening van 22 december 2000 (Brussel I) betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de Verordening van 29 mei 2000 (Brussel II) betreffende de bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (deze verordening werd op 1 maart 2005 vervangen door de Verordening van 27 november 2003 - Brussel II bis - betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000) , het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (t.a.v. Denemarken) en het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988 (tussen EU-lidstaten en Zwitserland, Ijsland en Noorwegen). De algemene regel is dat de bevoegde rechter deze is van de woonplaats van de verweerder (zie art. 2 Brussel I - Verordening). Voor bepaalde thema's bestaan er echter bijzondere bevoegdheidsgronden.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Daarnaast moet er ook steeds nagegaan worden of er bilaterale verdragen bestaan tussen de verschillende betrokken Staten. Deze kunnen ook bijzondere bevoegdheidsgronden bevatten.

In laatste instantie kijken we naar het Belgische Internationaal Privaatrecht (zie art. 2 Wetboek IPR). Dit Wetboek gaat voor het bepalen van rechtsmacht in beginsel uit van een internationale bevoegdheid gebaseerd op de woonplaats of verblijfplaats van de verweerder (zie art. 5 Wetboek IPR). Naast deze algemene regel zijn er voor sommige materies nog andere, speciefieke bevoegdheidsgronden voor de Belgische rechter. Indien deze er zijn, zullen ze verderop in dit dossier vermeld worden.

B. TOEPASSELIJK RECHT

Wanneer uit de toepassing van bovenstaande teksten blijkt dat de Belgische rechter bevoegd is, moet deze nog nagaan welk recht hij moet toepassen op het geschil. Hij past hiertoe het Belgisch Internationaal Privaatrecht toe. Daarbinnen worden verschillende aanknopingfactoren gehanteerd die naargelang het onderwerp van het geschil variëren. Het Wetboek IPR is thematisch opgebouwd en vermeldt per thema de relevante aanknopingsfactor. In het vervolg van dit dossier worden enkele van deze thema's besproken.

III.1. Contractuele verplichtingen en wettelijke akten

A. BEVOEGDE RECHTER

Volgens het Wetboek IPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande contractuele verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van het Wetboek, indien deze in België is ontstaan of hier wordt uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

B. TOEPASSELIJK RECHT

Het recht dat de contractuele verbintenissen beheerst, wordt bepaald volgens het Verdrag inzake het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, gesloten te Rome op 19 juni 1980 (hierna: EVO-Verdrag). Volgens art. 3 EVO-Verdrag kunnen de contractspartijen zelf bepalen welk recht hun overeenkomst zal beheersen (de zgn. "lex contractus"). Deze rechtskeuze is volledig vrij en kan op elk moment gebeuren. Als de partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land dat de nauwste band met die overeenkomst vertoont (art. 4 EVO-Verdrag). Voor de invulling van het begrip "nauwste band" bevat het EVO-Verdrag een algemeen en daarnaast enkele specifieke vermoedens. Artikel 98 van het Wetboek IPR breidt het toepassingsgebied van het EVO-Verdrag uit tot alle contractuele verbintenissen die volgens dat verdrag zelf waren uitgesloten van haar toepassingsgebied, tenzij in de gevallen waarin de wet iets anders bepaald.

Voor internationale koopovereenkomsten inzake roerende zaken geldt echter een bijzonder verdrag: het Verdrag inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, ondertekend te Wenen op 11 april 1980 (hierna: C.I.S.G.). De partijen kunnen volgens het C.I.S.G. kiezen welk recht hun overeenkomst zal beheersen. Ze kunnen zelfs het recht van een niet-verdragsstaat toepasselijk verklaren, waardoor ze dan meteen ook de toepassing van het C.I.S.G. uitsluiten. Dit verdrag geldt niet voor consumentenkoop, waarvoor het EVO-Verdrag een specifieke regeling bevat.

Ook voor wisselbrieven en orderbriefjes en voor cheques bestaan er bijzondere verdragen: het Verdrag tot regeling van zekere wettenconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes, gesloten te Genève op 7 juni 1930 respectievelijk het Verdrag tot regeling van zekere wettenconflicten ten aanzien van cheques, gesloten te Genève op 19 maart 1931.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III.2. Niet-contractuele verplichtingen (burgerrechtelijke aansprakelijkheid, verrijking zonder oorzaak)

A. BEVOEGDE RECHTER

Volgens art. 5, 3° van de Brussel I - Verordening geldt er inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad een bijzondere bevoegdheidsgrond: de bevoegde rechter is deze van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Dit artikel geldt echter niet voor verrijking zonder oorzaak.

Art. 96, 2° van het Wetboek IPR bepaalt naast de algemene bepalingen van het Wetboek twee specifieke bevoegdheidsgronden voor de Belgische rechter inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad: hij is bevoegd indien de schadelijke handeling zich deels of volledig in België heeft voorgedaan of dreigt voor te zullen doen, of indien en voorzover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt voor te zullen doen.

B. TOEPASSELIJK RECHT

Volgens art. 101 Wetboek IPR kunnen partijen, na het ontstaan van het geschil, kiezen welk recht toepasselijk is op de verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad. Dit is echter niet mogelijk wanneer het Verdrag inzake de wet van toepassing op verkeersongevallen op de weg, gesloten te Den Haag op 4 mei 1971 van toepassing is op het geschil. Als er geen rechtskeuze wordt gedaan, geldt er een cascaderegeling: in beginsel geldt het recht van de gewone verblijfplaats van aansprakelijke en schadelijder; als deze niet op het grondgebied van dezelfde Staat verblijven geldt het recht van de Staat van oorzaak en schade; in de overige gevallen geldt het recht van de Staat die de nauwste band met de betrokken verbintenis vertoont. Er zijn echter bijzondere regels voor onder andere productaansprakelijkheid, eerroof en schending van de persoonlijke levenssfeer, ongeoorloofde mededinging en verkeersongevallen op de weg (art. 99 Wetboek IPR).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voor verkeersongevallen op de weg geldt het Verdrag van Den Haag (zie hierboven). De algemene regel (zie art. 3 Verdrag van Den Haag) is hier de toepassing van het recht van de plaats van het ongeval ("lex loci delicti").

Verder stelt art. 102 van het Wetboek IPR dat er bij het bepalen van de aansprakelijkheid steeds rekening moet worden gehouden met de veiligheids- en gedragsregels die ter plaatse en ten tijde van de onrechtmatige daad golden.

III.3. De burgerlijke staat van de persoon (naam, woonplaats, hoedanigheid)

A. BEVOEGDE RECHTER

Volgens art. 32 Wetboek IPR hebben de Belgische rechters, tenzij de wet iets anders bepaalt, twee specifieke bevoegdheidsgronden inzake staat en bekwaamheid van de persoon. Ze zijn immers, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van het Wetboek, ook bevoegd indien: die persoon bij de instelling van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft of indien die persoon bij de instelling van de vordering Belg is.

B. TOEPASSELIJK RECHT

Het toepasselijke recht inzake geschillen in verband met staat en bekwaamheid is, behalve wanneer het Wetboek IPR een afwijkende regel bevat, het recht van de Staat waarvan die persoon de nationaliteit heeft (nationale wet). Inzake de staat en bekwaamheid van natuurlijke personen is herverwijzing, in tegenstelling tot het principiële verbod in art. 16 Wetboek IPR, wel mogelijk (zie art. 34 Wetboek IPR).

III.4. De ouder- kindrelatie, adoptie

III.4.1. Oorspronkelijke afstamming
A. BEVOEGDE RECHTER

De Belgische rechters zijn volgens art. 61 Wetboek IPR bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de vaststelling of betwisting van vaderschap of moederschap, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van dat Wetboek, indien:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. het kind bij de instelling van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft;
  2. de persoon van wie het vaderschap of moederschap wordt aangevoerd of betwist, bij de instelling van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft; of
  3. het kind en de persoon van wie het vaderschap of moederschap wordt aangevoerd of betwist, bij de instelling van de vordering Belg zijn.
B. TOEPASSELIJK RECHT

Als algemene regel voor het vaststellen van het toepasselijke recht bepaalt art. 62 Wetboek IPR dat de vaststelling en de betwisting van het vaderschap of moederschap van een persoon worden beheerst door het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft bij de geboorte van het kind of, indien de vaststelling het resultaat is van een vrijwillige handeling, bij het verrichten van die handeling.

III.4.2. Adoptie
A. BEVOEGDE RECHTER

In afwijking van de algemene bepalingen van het Wetboek, zijn de Belgische rechters enkel bevoegd om een adoptie uit te spreken indien de adoptant, één van de adoptanten of de geadopteerde bij de instelling van de vordering Belg is of zijn gewone verblijfplaats in België heeft (art. 66 Wetboek IPR).

B. TOEPASSELIJK RECHT

Om het toepasselijke recht te bepalen, wordt in het Wetboek een onderscheid gemaakt tussen het recht toepasselijk op de voorwaarden voor de totstandkoming van de adoptie (art. 67 Wetboek IPR), op de toestemming (art. 68 Wetboek IPR), op de wijze van de totstandkoming van de adoptie (art. 69 Wetboek IPR) en op de omzetting, de herroeping en de herziening van de adoptie. (art. 71 Wetboek IPR)

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III.5. Het huwelijk, ongehuwde partnerschappen, echtscheiding, alimentatieverplichtingen

III.5.1. Onderhoudsvorderingen
A. BEVOEGDE RECHTER

Hoewel de Brussel I - Verordening niet van toepassing is inzake personen- en familierecht, geldt ze toch voor onderhoudsvorderingen. De bevoegde rechter is hier, volgens de algemene regel, deze van de woonplaats van de verweerder (art. 2 Brussel I - Verordening).

Daarnaast geldt specifiek voor onderhoudsvorderingen dat een persoon die zijn woonplaats heeft in een lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen (art. 5, tweede lid Brussel I – Verordening).

Op basis van het Wetboek IPR is de Belgische rechter bevoegd, naast de algemene bepalingen van het Wetboek, indien de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats in België heeft bij het instellen van de vordering, of als zowel de onderhoudsplichtige als de onderhoudsgerechtigde op dat moment Belg zijn (art. 73 Wetboek IPR).

B. TOEPASSELIJK RECHT

Wat het toepasselijke recht betreft, stelt art. 74 van het Wetboek als algemene regel dat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde op het tijdstip dat ze wordt ingeroepen zijn gewone verblijfplaats heeft.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Daarnaast is voor onderhoudsverplichtingen ten aanzien van ongehuwde kinderen, jonger dan 21 jaar, ook het Verdrag nopens de wet welke op de onderhoudsverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, gesloten in Den Haag op 24 oktober 1956, van belang. De hier gehanteerde verwijzingsregel is in beginsel de gewone verblijfplaats van het kind (art. 1 Verdrag Den Haag).

III.5.2. Huwelijk, samenleven en echtscheiding
A. BEVOEGDE RECHTER

Voor huwelijkscrisissen geldt vanaf 1 maart 2005 de Brussel II bis - Verordening voor het bepalen van de bevoegde rechter: deze van de gewone verblijfplaats van de eiser of de verweerder (art. 3 Brussel II bis - Verordening).

De Belgische rechters zijn op basis van art. 42 Wetboek IPR, naast de algemene bepalingen van het Wetboek, specifiek bevoegd voor vorderingen over het huwelijk of zijn gevolgen, het huwelijksvermogensrecht, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed indien:

  1. bij een gezamelijke vordering, één van de echtgenoten bij instelling van de vordering zijn gewone verblijfplaats in België heeft;
  2. de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich in België bevond, maximum twaalf maanden voordat de vordering werd ingesteld;
  3. de echtgenoot die de vordering instelt, bij de instelling sedert minstens twaalf maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft; of
  4. beide echtgenoten bij de instelling van de vordering Belg zijn.
B. TOEPASSELIJK RECHT

Voor het toepasselijk recht inzake het huwelijk maakt het Wetboek een onderscheid tussen:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. de huwelijksbelofte: gewone verblijfplaats van de toekomstige echtgenoten, zoniet recht van de staat waarvan beide toekomstige echtgenoten de nationaliteit bezitten, zoniet het Belgisch recht (art. 45 Wetboek IPR).
  2. de totstandkoming van het huwelijk: nationale wet van elke echtgenoot, maar wel eventueel uitzondering hierop bij huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (art. 46 Wetboek IPR).
  3. de vormvereisten: recht van de plaats van de huwelijksvoltrekking (art. 47 Wetboek IPR).
  4. de gevolgen van het huwelijk: gewone verblijfplaats van de echtgenoten, zoniet recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten, zoniet het Belgisch recht (art. 48 Wetboek IPR).

Voor de echtscheiding en de scheiding van tafel en bed voorziet art. 55 Wetboek IPR in de mogelijkheid om een beperkte rechtskeuze (nationale wet of Belgisch recht) te doen. Als de echtgenoten van deze mogelijkheid geen gebruik maken geldt het recht van de Staat van hun gewone verblijfplaats; of indien deze zich in verschillende Staten bevinden, het recht van de Staat waar ze hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden; of, indien geen van beide nog zijn gewone verblijfplaats heeft in deze Staat, het recht van de Staat waar beide echtgenoten de nationaliteit van hebben bij het instellen van de vordering; of in alle andere gevallen het Belgisch recht.

Het begrip "relatie van samenleven" betekent in het Wetboek een toestand van samenleven die registratie bij een openbare overheid vereist en die tussen de samenwonende personen geen band schept die evenwaardig is aan het huwelijk. De Belgische rechters zijn hiervoor bevoegd in dezelfde gevallen als voor het huwelijk (art. 59 Wetboek IPR). De relatie van samenleven wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied zij voor het eerst is geregistreerd (art. 60 Wetboek IPR).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

III.6. Huwelijksvermogensstelsels

A. BEVOEGDE RECHTER

De internationale bevoegdheid van de Belgische rechters wordt bepaald door art. 42 Wetboek IPR (zie onder 3.5).

B. TOEPASSELIJK RECHT

De partners kunnen zelf het recht kiezen dat hun huwelijksvermogen zal beheersen. Het gaat hier om een beperkte rechtskeuze: recht van de Staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na voltrekking van het huwelijk, of het recht van hun gewone woonplaats op een moment van keuze, of de nationale wet van één van de echtgenoten (art. 49 Wetboek IPR).

Doen ze geen rechtskeuze, dan wordt het huwelijksvermogen beheerst door het recht van de Staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na voltrekking van het huwelijk. Liggen deze verblijfplaatsen echter niet in dezelfde Staat, dan geldt het recht van de Staat waarvan beide partners de nationaliteit hebben bij de huwelijksvoltrekking. In alle andere gevallen geldt het recht van de Staat van de huwelijkssluiting (art. 51 Wetboek IPR).

III.7. Erfenissen en testamenten

A. BEVOEGDE RECHTER

Het Wetboek IPR voorziet, naast de algemene (woonplaats of verblijfplaats verweerder uitgesloten), in twee specifieke bevoegdheidsgronden voor de Belgische rechters voor geschillen inzake erfopvolging. Deze zijn aldus bevoegd indien:

1. de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats in België had; of
2. de vordering goederen betreft die zich bij de instelling van de vordering in België bevinden (art. 77 Wetboek IPR).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

B. TOEPASSELIJK RECHT

Artikel 79 van het Wetboek de mogelijkheid voor de partijen om, onder bepaalde voorwaarden, een beperkte rechtskeuze te doen in de vorm van een testament. Zoniet geldt het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de overledene. Voor onroerende goederen geldt echter het recht van de Staat van de ligging van het goed en is herverwijzing naar het recht van de gewone verblijfplaats van de overledene mogelijk (art. 78 Wetboek IPR).

De door de Belgische wet voorziene reserve mag niet door de rechtskeuze aangetast worden.

De vorm van testamenten en van hun herroeping wordt geregeld door het recht toepasselijk krachtens het Verdrag betreffende de wetsconflicten inzake de vorm van uiterste wilsbeschikkingen, gesloten te Den Haag op 5 oktober 1961. Het toepassingsgebied van dit verdrag wordt door art. 83 Wetboek IPR uitgebreid tot alle andere uiterste wilsbeschikkingen. Het Verdrag biedt een ruime waaier aan mogelijkheden voor het opstellen van een geldige uiterste wilsbeschikking.

De rechtskeuze gemaakt voor de erfopvolging geldt ook voor de interpretatie en de herroeping van de uiterste wilsbeschikking. Als er geen rechtskeuze werd gedaan geldt hiervoor het recht van de Staat die de nauwste band heeft met de beschikking of de herroeping (art. 84 Wetboek IPR).

III.8. Onroerend goed

A. BEVOEGDE RECHTER

Voor onroerende goederen bevat art. 22 Brussel I–Verordening twee exclusieve bevoegdheidsgronden die gelden ongeacht de woonplaats van de verweerder. Met betrekking tot vorderingen over zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen is de rechter van het land waar het onroerende goed gelegen is exclusief bevoegd. Voor geschillen naar aanleiding van particuliere verhuringen voor minder dan 6 maanden is onder bepaalde voorwaarden toch de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voor onroerende goederen gelegen in verschillende landen, heeft elk van die landen in beginsel exclusieve rechtsmacht.

De Belgische rechters zijn bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de zakelijke rechten op een goed, naast de gevallen bedoeld in de algemene bepalingen van deze wet, indien dit goed in België gelegen is of geacht wordt gelegen te zijn bij het instellen van de vordering (art. 85 Wetboek IPR).

B. TOEPASSELIJK RECHT

Ook om het toepasselijke recht te bepalen wordt het criterium van de ligging van het goed gehanteerd ( zie art. 87 Wetboek IPR).

III.9. Faillissement

Inzake faillissement is de Verordening van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures van toepassing (Insolventie-Verordening). Hierin wordt uitgegaan van een primaire universele insolventieprocedure, met daarnaast eventueel nog secundaire, territoriale insolventieprocedures.

A. BEVOEGDE RECHTER

Volgens art. 118 Wetboek IPR zijn de Belgische rechters slechts bevoegd om een insolventieprocedure te openen in de gevallen vermeld in art. 3 van de Insolventi-Verordening. In het Wetboek IPR wordt de toepassing van de Insolventie-Verordening echter uitgebreid naar verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (uitgesloten in de Insolventie-Verordening: art. 1, tweede lid) en, onder bepaalde voorwaarden, naar schuldenaren wiens centrum van belangen gelegen is in een Staat waar de Insolventie-Verordening niet geldt.

B. TOEPASSELIJK RECHT

Het toepasselijke recht is het recht van de Staat waar de procedure wordt geopend (art. 4 Insolventie-Verordening). Wanneer dus de Belgische rechters, in de gevallen uit art. 3 Insolventie-Verordening, een collectieve insolventieprocedure hebben geopend, dan wordt deze beheerst door het Belgische recht (art. 119 Wetboek IPR).

In art. 120 Wetboek IPR wordt onder bepaalde voorwaarden voorzien in een verplichte samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de curatoren van de verschillende insolventieprocedures.

« Toepasselijk recht - Algemene informatie | België - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 09-11-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk