Europese Commissie > EJN > Toepasselijk recht > Oostenrijk

Laatste aanpassing: 03-07-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Toepasselijk recht - Oostenrijk

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


 

INHOUDSOPGAVE

Rechtsbronnen Rechtsbronnen
1.1. Het interne recht 1.1.
1.2. Multilaterale verdragen 1.2.
1.3. Bilaterale verdragen 1.3.
De toepassing van het conflictenrecht De toepassing van het conflictenrecht
2.1. Ambtshalve toepassing van het conflictenrecht 2.1.
2.2. Renvoi 2.2.
2.3. Wijziging aanknopingspunt 2.3.
2.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht 2.4.
2.5. Het bewijs van vreemd recht 2.5.
Conflictenrecht Conflictenrecht
3.1. Contractuele verbintenissen 3.1.
3.2. Niet-contractuele vorderingen tot schadevergoeding 3.2.
3.3. De staat van de persoon 3.3.
3.4. Afstamming, vaststellen van de ouder-kind relatie, inclusief adoptie 3.4.
3.5. Huwelijken, partnerschappen, echtscheiding, alimentatie 3.5.
3.6. Huwelijksvermogensrech 3.6.
3.7. Erfenissen en testamenten 3.7.
3.8. Zakelijke rechten 3.8.
3.9. Insolventie 3.9.

 

1. Rechtsbronnen

1.1. Het interne recht

Het Oostenrijkse internationaal privaatrecht - IPR is gecodificeerd. De basiswet is het Gesetz über das internationale Privatrecht (IPR-Gesetz) (wet over het internationaal privaatrecht; hierna IPRG genoemd) van 15 juni 1978, BGBl. Nr. 304/1978. De volgende bepalingen van het conflictenrecht bevinden zich niet in het IPRG:

  • § 13 bis van het Bundesgesetz (federale wet) van 8 maart 1979, waarin bepalingen betreffende consumentenbescherming zijn vastgesteld (Konsumentenschutzgesetz - KSchG, (wet betreffende consumentenbescherming)), BGBl. Nr. 140/1979,

  •  artikel 11 van het Bundesgesetz über den Erwerb von Teilzeitnutzungsrechten an unbeweglichen Sachen (Teilzeitnutzungsgesetz - TNG) (federale wet betreffende het verkrijgen van rechten van deeltijds gebruik van onroerende goederen (wet betreffende deeltijds gebruikk - TNG)), BGBl I Nr. 32/1997

  •  het Bundesgesetz über internationales Versicherungsvertragsrecht für den Europäischen Wirtschaftsraum (de federale wet betreffende het internationaal recht over verzekeringsovereenkomsten), BGBl. Nr. 89/1993,

  • § 20 van de federale wet tot omzetting van Richtlijn 93/7/EEG betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, BGBl. I Nr. 67/1998,

  • § 23 van het Bundesgesetz über die zivilrechtliche Haftung für Schäden durch Radioaktivität (federale wet betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door radioactiviteit), (hierna: Atomhaftungsgesetz 1999 (AtomHG 1999)), BGBl. I Nr. 170/1998,

    Bovenkant paginaBovenkant pagina

  • het Bundesgesetz über internationales Versicherungsvertragsrecht für den Europäischen Wirtschaftsraum (IVVG) (de federale wet betreffende het internationaal recht over verzekeringsovereenkomsten in de EER), BGBl. Nr. 89/1993,

  • §§ 16 en 18 van het Bundesgesetz über die Wirksamkeit von Abrechnungen in Zahlungs- sowie Wertpapierliefer- und - abrechnungssystemen (federale wet betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (hierna: Finalitätsgesetz), BGBl. I Nr. 98/2001,

  • §§ 221 tot 235 van het Bundesgesetz über das internationale Insolvenzrecht (IIRG) (de federale wet betreffende het internationale insolventierecht), BGBl. I Nr. 36/2003.

1.2. Multilaterale verdragen

Volgens § 53 van het IPRG heeft deze wet geen invloed op overeenkomsten tussen staten; deze hebben voorrang op de bepalingen van deze wet (en op andere nationale collisieregels). De volgende multilaterale verdragen waarbij Oostenrijk partij is, bevatten conflictenrecht:

  • het Haagse Verdrag van 24 oktober 1956 English - français inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
  • het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 English - français betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen,
  • het Haagse Verdrag van 5 oktober 1961 English - français inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen
  • het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 English - français inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg
  • De CIEC-overeenkomst van 20 september 1970 English - français PDF File (PDF File 140 KB) over de wettiging door huwelijk
  • Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst
1.3. Bilaterale verdragen

De volgende bilaterale verdragen bevatten bepalingen van conflictenrecht:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  • Vriendschaps- en vestigingsverdrag van 9 september 1959 tussen de Republiek Oostenrijk en het Keizerrijk Iran
  • Verdrag van 16 december 1954 inzake wederzijdse rechtshulp tussen de Republiek Oostenrijk en de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië
  • Verdrag van 11 december 1963 tussen de Republiek Oostenrijk en de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië inzake de onderlinge betrekkingen in burgerlijke rechtszaken en inzake schriftelijk bewijs
  • Verdrag van 9 april 1965 inzake nalatenschappen tussen de Republiek Oostenrijk en de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië.

2. De toepassing van het conflictenrecht

2.1. Ambtshalve toepassing van het conflictenrecht

Vreemd recht moet ambtshalve en zoals in zijn oorspronkelijke werkingssfeer worden toegepast (§ 3 van het IPRG).

2.2. Renvoi

Volgens § 5 van het IPRG moet renvoi worden toegepast wanneer in het bijzonder niet naar het materiële recht wordt verwezen. Wanneer het vreemde recht naar het Oostenrijkse recht terugverwijst, is het Oostenrijks recht bepalend. Wanneer het vreemde recht naar een rechtsstelsel verwijst waarnaar reeds verwezen werd, is het recht waarnaar de eerste keer werd verwezen, bepalend.

2.3. Wijziging aanknopingspunt

Een latere wijziging van de voor de aanknoping aan een bepaalde rechtsorde doorslaggevende voorwaarden heeft geen invloed op reeds voltrokken feiten (§ 7 IPRG). Op afgesloten feiten is daarom in beginsel het recht van toepassing dat bepalend is op het ogenblik dat de feiten zich voordoen, en op feiten die nog aan de gang zijn, het recht dat geldt op het ogenblik van de beoordeling.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

2.4. Uitzonderingen op de normale toepassing van het conflictenrecht

Het recht waarnaar verwezen wordt, mag niet worden toegepast wanneer dit zou leiden tot een resultaat dat onverenigbaar is met de fundamentele waarden van de Oostenrijkse rechtsorde (§ 6 IPRG).

In het Oostenrijke recht zijn er bepalingen die moeten worden toegepast onafhankelijk van de regels van het IPR (bepalingen van dwingend recht). Bij sommige van die bepalingen blijkt uit hun bewoordingen of zij dwingend van aard zijn, bij andere enkel en alleen uit hun doel.

2.5. Het bewijs van vreemd recht

Het vreemd recht moet ambtshalve worden bewezen. Daartoe kan de rechter zich baseren op de medewerking van partijen, op inlichtingen van het Bundesministerium für Justiz (het federale ministerie van justitie) of op deskundigenverslagen. Wanneer het vreemde recht ondanks grondige inspanningen niet binnen een redelijke termijn kan worden bewezen, moet het Oostenrijkse recht worden toegepast (§ 4 IPRG).

3. Conflictenrecht

3.1. Contractuele verbintenissen

Contractuele verbintenissen die niet onder het Verdrag van Rome vallen, moeten volgens het recht worden beoordeeld dat de partijen uitdrukkelijk of dwingend hebben aangewezen. Wanneer geen rechtskeuze wordt gemaakt, zijn de §§ 46 tot 49 IPRG (§ 35 IPRG) van toepassing. Aangezien de §§ 46 tot 49 echter niet de contractuele verbintenissen regelen, is bij gebrek aan bijzondere bepalingen overeenkomstig § 1 IPRG het recht waarmee de feiten het nauwst verbonden zijn doorslaggevend.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voor consumentenovereenkomsten gelden bijzondere collisieregels: In artikel 13 bis, lid 1, van het Konsumentenschutzgesetz zijn de collisieregels van verscheidene richtlijnen inzake consumentenbeschermingsrecht omgezet. De bepaling beperkt vooral de vrije rechtskeuze op het gebied van de consumentenbescherming. § 11, lid 1, van het Teilzeitnutzungsgesetz bevat een andere IPR-bepaling die eveneens de vrijheid van rechtskeuze beperkt.

Het Bundesgesetz über internationales Versicherungsvertragsrecht für den Europäischen Wirtschaftsraum, dat richtlijnen omzet, regelt het op verzekeringsovereenkomsten toe te passen recht, dat het in een lidstaat van de EER gelegen risico bestrijkt. Er bestaat een - beperkte - mogelijkheid van rechtskeuze. Bij gebrek aan rechtskeuze is het recht van de staat waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is, van toepassing. Er geldt een vermoeden dat de staat waarin het risico zich bevindt, de staat is waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden. Waar het risico zich bevindt, is voor de verschillende soorten verzekering in het bijzonder omschreven.

Bepalingen van dwingend recht zijn bijvoorbeeld §§ 7, 7 bis en 7 ter, van het Arbeitsvertragsrechts-Anpassungsgesetz (AVRAG; de wet tot wijziging van het recht betreffende arbeidsovereenkomsten), volgens de welke aan de werknemer in Oostenrijk onafhankelijk van het toepasselijke recht het loon en het minimumverlof van de collectieve overeenkomst toekomen. § 13 bis, lid 2, van het KSchG is een andere dwingende bepaling. Op grond daarvan moeten § 6 van het KSchG (over ongeoorloofde contractuele bepalingen), § 864 bis van het ABGB (over de geldigheid van ongebruikelijke bepalingen in de algemene voorwaarden en modellen voor overeenkomsten) en § 879, lid 3, van het ABGB (over de nietigheid die contractuele bepalingen in algemene voorwaarden en modellen voor overeenkomsten ter bescherming van de consumenten ernstig benadeelt) worden toegepast onafhankelijk van het op de overeenkomst toepasselijke recht, wanneer de overeenkomst is tot stand gekomen in de context van een in Oostenrijk ontwikkelde activiteit van de ondernemer die op het sluiten van dergelijke overeenkomsten gericht was. § 11, lid 2, van het TNG, is een gelijkaardige dwingende bepaling.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

3.2. Niet-contractuele vorderingen tot schadevergoeding

De aanknoping van niet-contractuele vorderingen tot schadevergoeding wordt in de §§ 35 en 48 van het IPRG geregeld.

Deze moeten worden beoordeeld volgens het door de partijen bij de verbintenis gekozen recht en bij gebreke aan dergelijke rechtskeuze volgens het recht van de staat waarin de handeling die de schade heeft veroorzaakt, is verricht. Wanneer de betrokkenen echter een nauwere band hebben met het recht van een en dezelfde andere staat, dan is dat recht bepalend.

Deze collisieregel duidt het toepasselijke recht aan voor de kwestie of er een verplichting tot schadevergoeding is ontstaan, wie schadevergoeding moet betalen en hoeveel moet worden betaald. Daaronder vallen ook de vragen over medeschuldigheid en over de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar, alsook de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding.

De aanknoping voor vorderingen tot schadevergoeding die voortvloeien uit verkeersongevallen, die binnen de werkingssfeer van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 English - français inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg vallen, vindt plaats overeenkomstig dat verdrag.

Op vorderingen tot schadevergoeding (en andere vorderingen) wegens oneerlijke mededinging is het recht van toepassing van de staat van de markt waarop de mededinging zich afspeelt (§ 48, lid 2, van het IPRG).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Niet-contractuele vorderingen tot vergoeding van schade die in Oostenrijk door ioniserende straling is veroorzaakt, worden op verzoek van de benadeelde overeenkomstig Oostenrijks recht behandeld (§ 23, lid 1, van het AtomHG van 1999). Wanneer door ioniserende straling veroorzaakte schade in het buitenland optreedt en overeenkomstig Oostenrijks recht wordt beoordeeld, moet de schade alleen worden vergoed wanneer en voorzover de personele staat (zie punt 3.3) van de benadeelde daarin voorziet (§ 23, lid 2, van het AtomHG 1999).

De zaakwaarneming moet worden beoordeeld volgens het recht van de staat waarin die heeft plaatsgevonden. Wanneer die echter nauw verbonden is met een andere rechtsverhouding, dan moet het recht worden toegepast dat op deze rechtsverhouding van toepassing is (§ 46 van het IPRG).

Vorderingen op grond van verrijking zonder oorzaak moeten worden beoordeeld volgens het recht van de staat waarin de verrijking heeft plaatsgevonden. Wanneer de verrijking gebaseerd is op een betaling die op grond van een rechtsverhouding is verricht, dan worden (ongeacht renvoi) de materiële regels toegepast van de staat waarvan de materiële regels op de rechtsverhouding van toepassing zijn (§ 46 IPRG).

3.3. De staat van de persoon

De staat van de persoon (of personele staat) is het recht van de staat waarvan de persoon onderdaan is. Als een persoon onderdaan is van meerdere staten, is het recht van de staat waarmee de persoon het nauwst verbonden is, van toepassing. Het Oostenrijkse staatsburgerschap geeft echter steeds de doorslag. Voor vluchtelingen en staatlozen volgt de staat van de persoon het recht van de staat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben (§ 9 van het IPRG).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het dragen van een naam door een persoon moet worden beoordeeld overeenkomstig de hem betreffende personele staat, ongeacht op welke grond het verkrijgen van de naam rust (§ 13 van het IPRG).

Daarom moet bijvoorbeeld de familienaam niet volgens de bepalingen betreffende het huwelijk, maar volgens de bepalingen betreffende de naam worden beoordeeld. Voor de vorm van Namensbestimmungserklärungen (aangiften van een naam of naamswijziging) geldt de algemene regeling van de vorm van § 8 van het IPRG. (Volgens dat artikel moet de vorm van een rechtshandeling worden beoordeeld overeenkomstig hetzelfde recht als de rechtshandeling zelf; het volstaat echter de vormvoorschriften van de staat waarin de rechtshandeling plaatsvindt, na te leven). Volgens de rechtspraak verandert een onder een vroegere personele staat verworven naam niet alleen door het wijzigen van de personele staat (staatsburgerschap).

Die rechts- en handelingsbekwaamheid van een persoon moeten evenzeer volgens hun personele staat worden beoordeeld (§ 12 van het IPRG).

Onder deze verwijzing valt een eventuele beperking van de handelingsbekwaamheid door bijvoorbeeld geestesziekte, maar niet de huwelijksbekwaamheid. Wanneer een persoon meerderjarig is geworden, blijft die dat, ook wanneer die dat volgens de nieuwe verworven personele staat nog niet zou zijn.

3.4. Afstamming, vaststellen van de ouder-kind relatie, inclusief adoptie

De voorwaarden voor de wettige afstamming van een kind en de betwisting daarvan worden geregeld volgens de staat van de persoon (zie punt 3.3) die de echtgenoten hadden op het ogenblik van de geboorte van het kind of op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk indien het huwelijk voor de geboorte werd ontbonden. Wanneer de echtgenoten een verschillende personele staat hebben, is de personele staat van het kind op het ogenblik van de geboorte doorslaggevend.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In de werkingssfeer van deze verwijzingsregel vallen het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot, de gronden voor de betwisting van de wettigheid van een kind, de vraag welke personen het recht hebben om de wettigheid van een kind te betwisten, alsook de termijnen binnen de welke de wettigheid kan worden betwist.

De voorwaarden voor de wettiging van een onwettig kind door wettigverklaring (bijvoorbeeld door een overheidsmaatregel) moeten volgens de personele staat van de vader worden geregeld (§ 23 IPRG).

De gevolgen van de wettige afstamming en van de wettiging van een kind moeten volgens de personele staat van het kind worden geregeld (artikel 24 IPRG). Volgens de CIEC Overeenkomst inzake wettiging is een wettiging van een kind door het huwelijk van de ouders geldig, wanneer het volgens het nationale recht van de vader of van de moeder geldig is.

§ 24 IPRG behandelt kwesties inzake onderhoud en opvoeding van het kind, het beheer en het gebruik van zijn vermogen, de wettige vertegenwoordiging door een van beide ouders, met inbegrip van het vereiste van een toelating van de overheid voor bepaalde vertegenwoordigingshandelingen, de regeling van het ouderlijke of vaderlijke gezag na de echtscheiding van de ouders alsook de wederzijdse rechten op alimentatie. Deze bepaling wordt grotendeels overlapt door het Verdrag van Den Haag over de bescherming van minderjarige kinderen. Krachtens dat verdrag moeten de voor maatregelen ter bescherming van minderjarigen bevoegde autoriteiten hun eigen recht toepassen; in het algemeen zijn de autoriteiten van de staat waar het kind waar het kind verblijft, bevoegd.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De voorwaarden voor de vaststelling en de erkenning van het vaderschap van een natuurlijk kind moeten volgens de personele staat van het kind op het ogenblik van de geboorte worden geregeld. Een latere personele staat van het kind is bepalend, wanneer de vaststelling of de erkenning op grond van die staat is toegestaan, maar niet op grond van de personele staat ten tijde van de geboorte. Het recht volgens het welk het vaderschap is vastgesteld of erkend, is ook toepasselijk voor de betwisting ervan (§ 25 IPRG).

De gevolgen van de onwettige afstamming van het kind moeten volgens de personele staat van het kind worden geregeld (§25 IPRG).

Terwijl voor afstammingskwesties een bepaald tijdstip doorslaggevend is, is dat bij kwesties over de verhoudingen tussen ouders en kind niet zo; de desbetreffende personele staat van het kind is doorslaggevend.

De adoptie richt zich zowel naar de personele staat van de adoptanten als van het adoptiekind. Het bepalend karakter van de personele staat van het kind is beperkt wanneer het niet handelingsbekwaam is. In dat geval is zijn personele staat alleen bepalend voor de toestemming van het kind of van een derde waarmee dat kind een familierechtelijke band heeft.

De gevolgen van de adoptie moeten volgens de personele staat van de adoptanten worden beoordeeld, en bij adoptie door echtgenoten volgens het recht dat bepalend is voor de persoonlijke gevolgen van het huwelijk (zie daarvoor punt 3.5). Na de dood van een van de echtgenoten is voor deze gevolgen het personele statuut van de andere echtgenoot bepalend.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In de werkingssfeer van § 26 IPRG vallen de materiële voorwaarden voor adoptie, zoals de leeftijd van de adoptant, het leeftijdsverschil tussen adoptieouders en adoptiekind of de vraag of en onder welke voorwaarden het hebben van eigen kinderen van de adoptant de adoptie in de weg staat. Voorts geldt § 26 IPRG ook voor de toestemmingsvereisten, met inbegrip van de mogelijkheid om geweigerde toestemmingen van overheidswege te vervangen. De erfrechtelijke gevolgen van een adoptie moeten niet op grond van de adoptieregeling, maar op grond van de erfrechtbepalingen (zie punt 3.7) worden beoordeeld.

De adoptie als zodanig is een voldongen feit en daarom verandert die beoordeling bij een latere wijziging van de personele staat of van de aanknopingsfeiten niet meer. Het feit een adoptiefkind te zijn, is een permanente rechtsverhouding. De voor de gevolgen van de adoptie bepalende regeling is derhalve veranderlijk. In dat geval is de desbetreffende personele staat van de adoptanten doorslaggevend.

3.5. Huwelijken, partnerschappen, echtscheiding, alimentatie

De vorm van een huwelijkssluiting in Oostenrijk moet volgens het Oostenrijkse recht worden beoordeeld, die van een huwelijkssluiting in het buitenland volgens de staat van de persoon van de verloofden; het naleven van de vormvoorschriften van de plaats van de huwelijkssluiting volstaat echter (§ 16 van het IPRG). De beperkte verwijzing naar de vormvoorschriften van de plaats van de huwelijkssluiting omvat alleen de materieelrechtelijke bepalingen van het recht waarnaar verwezen wordt, zodat een eventuele terug- of verderverwijzing van het recht van de plaats daarom niet relevant is (uitzondering van § 5 van het IPRG, zie punt 2.2).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De voorwaarden voor de huwelijkssluiting en de nietigheid van het huwelijk en de voorwaarden voor de nietigverklaring van het huwelijk (niet te verwarren met de echtscheiding) moeten voor elke verloofde worden beoordeeld volgens hun persoonlijk staat (§ 17 IPRG).

 Deze verwijzingsregel heeft betrekking op alle materiële voorwaarden voor de huwelijkssluiting dat wil zeggen vooral op de vereiste leeftijd, het ontbreken van huwelijksbeletselen, eventuele toestemmingsvereisten en de vervangbaarheid ervan.

Volgens § 18 van het IPRG worden de persoonlijke rechtsgevolgen van het huwelijk geregeld door de gemeenschappelijke personele staat van de echtgenoten en bij gebrek aan een gemeenschappelijke personele staat door de laatste gemeenschappelijke personele staat, voorzover een van hen die heeft behouden. Anders moeten deze worden beoordeeld volgens het recht van de staat waar beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben, en bij gebrek daaraan volgens het recht van de staat waar beiden hun laatste gewone verblijfplaats gehad hebben, voorzover een van hen die heeft behouden.

In de werkingssfeer van de verwijzingsnorm vallen meer bepaald de samenwoningsplicht van echtgenoten, de gevolgen voor de woonplaats, de bijstandsplicht, maar ook het onderhoudsrecht van echtgenoten. Het recht betreffende de huwelijksnaam en het huwelijksvermogensrecht vallen daar niet onder.

De verwijzing kan veranderen; wanneer de aanknopingsfeiten veranderen, kan een ander recht bepalend worden.

De echtscheiding moet volgens § 20 IPRG worden beoordeeld volgens het recht dat bepalend is voor de persoonlijke rechtsgevolgen van het huwelijk. Daarbij is het tijdstip van de echtscheiding doorslaggevend.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Daaronder vallen de voorwaarden voor en de gevolgen van de echtscheiding. Onder deze bepaling valt bijvoorbeeld de alimentatievordering na de echtscheiding.

Aangezien de aanknoping afhankelijk is van een bepaald tijdstip, kan de verwijzing niet worden veranderd.

Het Oostenrijkse recht kent de ontbinding van het huwelijk niet. Daarom moet volgens § 1 IPRG de aanknoping plaatsvinden volgens het criterium van de nauwste verbondenheid. De rechtspraak zou de nauwste verbondenheid wel naar analogie met § 20 IPRG vaststellen.

Ook het samenwonen en het partnerschap worden in het Oostenrijkse recht niet uitdrukkelijk geregeld. Ook daarvoor vindt de aanknoping volgens § 1 IPRG plaats.

3.6. Huwelijksvermogensrech

Het huwelijksvermogensrecht moet worden beoordeeld volgens het recht dat de partijen uitdrukkelijk vaststellen en bij gebreke van een dergelijke rechtskeuze volgens het recht dat op het ogenblik van de huwelijkssluiting bepalend was voor de persoonlijk rechtsgevolgen van het huwelijk (§ 19 IPRG).

Onder de verwijzingsnorm valt zowel het wettelijke als het contractuele huwelijksvermogensrecht.

De wettelijke aanknoping kan niet worden gewijzigd.

Voor de vorm het huwelijkscontract geldt § 8 IPRG, op grond waarvan voor de vorm van een rechtshandeling de naleving van de vormvoorschriften van de staat waarin de rechtshandeling wordt uitgevoerd, volstaat.

3.7. Erfenissen en testamenten

Volgens § 28 IPRG moeten erfenissen worden beoordeeld volgens de personele staat van de overledene op het ogenblik van zijn overlijden. Volgens dat recht wordt geregeld: welke personen tot de erfenis worden geroepen, welke erfdelen hen toekomen en in welke mate hen eventueel een wettelijk erfdeel toekomt, de rechtspositie van de legatarissen, verplichtingen en ook de vordering van de benadeelde legitimarissen op de teruggave van een schenking.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De erfgerechtigdheid en de onwaardigheid om erfgenaam te zijn, worden echter niet geregeld op grond van de erfrechtelijke bepalingen, maar volgens het personele statuut van de erfgenamen.

De aansprakelijkheid voor schulden van de boedel en het verwerven van de erfenis vallen in beginsel ook onder deze collisieregel. Wanneer echter in Oostenrijk een procedure betreffende een nalatenschap wordt gevoerd, moeten de aansprakelijkheid voor de boedelschulden en de verwerving van de erfenis volgens Oostenrijks recht worden beoordeeld (§ 28, lid 2 IPRG).

Op grond van § 29 IPRG is voor de erfopvolging bij een nalatenschap die erfloos is of die aan een territoriaal publiekrechtelijk orgaan als wettelijke erfgenaam toekomt, niet de personele staat van de overledene bepalend, maar wel het recht van de staat waar het vermogen zich op het ogenblik van het overlijden bevindt.

In § 30 IPRG wordt de geldigheid van een beschikking ter zake des doods geregeld, in het bijzonder van een testament, een erfcontract of een contract tot afstand van een erfenis. Deze moet volgens de personele staat van de erflater op het ogenblik van de rechtshandeling worden beoordeeld. Wanneer de testamentaire beschikking volgens dat recht niet geldig is, maar wel volgens de personele staat van de erflater op het ogenblik van zijn dood, dan is deze bepalend. Deze bepaling heeft voorrang op het Haags Verdrag inzake testamentaire beschikkingen.

3.8. Zakelijke rechten

De verwerving en het verlies van zakelijke rechten op lichamelijke zaken, met inbegrip van het bezit, moeten worden geregeld volgens het recht van de staat waarin de goederen zich bevinden wanneer de aan de verwerving of het verlies van de goederen ten grondslag liggende feiten zich voordoen. De rechtsaard van de goederen en de inhoud van de rechten moeten worden beoordeeld volgens het recht van de staat waar de goederen zich bevinden (§ 31 van het IPRG).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In de werkingssfeer van de verwijzingsnorm vallen meer bepaald eigendom, erfdienstbaarheden (grondlasten), pandrecht, bouwrecht, eigendomsrechten over woningen, maar ook retentierechten tegenover derden. Ook de gevolgen van de eigendomsoverdracht worden volgens dat recht geregeld.

Een latere wijziging van de plaats waar het goed zich bevindt, heeft geen wijziging van het toepasselijke recht tot gevolg, aangezien de verwerving van het recht een voldongen feit is.

De gevolgen van de verwerving van een recht worden beheerst door het recht van de respectieve plaats waar het goed zich bevindt. Daarom kan dit aanknopingspunt veranderen.

De vragen over de omvang van de rechtsbescherming van de eigendom, de vraag of en in welke mate de houder van een zakelijk recht op een goed daarover kan beschikken, bijvoorbeeld of een vuistpand ook zonder gerechtelijke tussenkomst kan worden verkocht, en andere vragen moeten volgens dat recht worden beoordeeld.

Voor verkeersmiddelen geldt een bijzondere regeling (§ 33 van het IPRG). Zakelijke rechten op vaartuigen en luchtvaartuigen die in een register zijn opgenomen, moeten worden beoordeeld volgens het recht van de staat waar deze zijn geregistreerd; voor spoorwegvoertuigen is het recht van de staat waar de hoofddirectie van de spoorwegonderneming, die de voertuigen in bedrijf heeft, haar feitelijke zetel heeft, van toepassing.

Voor wettelijke en gerechtelijke pandrechten of wettelijke retentierechten voor het waarborgen van vorderingen tot vergoeding van door het voertuig veroorzaakte schade of voor de kosten daarvan, geldt het recht van de staat waar de goederen zich bevinden wanneer de feiten zich voordoen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voor onroerende lichamelijke goederen bestaat er ook een uitzonderingsregeling: voorzover zakelijke rechten op onroerende goederen ook binnen de werkingssfeer van een andere verwijzingsnorm vallen (zoals die voor het huwelijksvermogensrecht), heeft de zakenrechtelijke verwijzing, namelijk de aanknoping aan het recht van de staat van de ligging van de goederen, voorrang.

Voor onlichamelijke goederen bestaat er geen verwijzingsnorm. Overeenkomstig § 1 IPRG zouden deze zakenrechtelijk volgens het recht moeten worden beoordeeld, waarmee de nauwste band bestaat. Beschreven rechten worden beoordeeld volgens de lex cartae. § 33 bis IPRG dat artikel 9 van Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten met een ruimere werkingssfeer omzet, bevat een bijzondere bepaling voor giraal overdraagbare effecten. Voor effecten in afwikkelingssystemen gelden de bijzondere regelingen van §§ 16 en 18 van het Finalitätsgesetz, die de finaliteitsrichtlijn 98/26/EG omzet.

3.9. Insolventie

Het internationale insolventierecht wordt geregeld in het vierde deel van de Konkursordnung (faillissementsregeling). Dit deel werd door het Bundesgesetz über das internationale Insolvenzrecht (IIRG) (de federale wet betreffende het internationale insolventierecht), BGBl.I Nr. 36/2003, toegevoegd. Volgens § 217 van deze wet kunnen de bepalingen alleen worden toegepast voorzover niet anders is bepaald in het volkenrecht of in het bijzonder in de besluiten van de Europese Gemeenschappen, vooral Verordening (EG) nr. 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (de EU-insolventieverordening). De §§ 221 tot en met 235 bepalen het toepasselijke recht. De bepalingen volgen grotendeels de overeenkomstige bepalingen van de EU-insolventieverordening.

Om de voorwaarden voor het inleiden van een insolventieprocedure en de effecten van de insolventieprocedure te bepalen, geldt in beginsel het recht van de staat waarin de procedure wordt ingeleid. Het hoofdstuk bevat in het bijzonder regels over zakelijke rechten van derden, verrekening, eigendomsvoorbehoud, overeenkomsten over onroerende goederen, gereglementeerde markten, arbeidsovereenkomsten, de gevolgen voor aan registratie onderworpen rechten alsook het op de nadelige handelingen toepasselijk recht en de bescherming van de derde-verkrijger, de gevolgen voor de lopende rechtsvorderingen, de lex rei sitae-regel wat de uitoefening van eigendomsrechten of andere rechten betreft, overeenkomsten inzake verrekening en schuldvernieuwing, retrocessieovereenkomsten en betalingen na de inleiding van een insolventieprocedure.

Wanneer deze bepalingen met die van het IPRG of andere collisieregels overlappen, hebben deze bijzondere bepalingen van de Konkursordnung voorrang.

Nadere inlichtingen

De bepalingen van het Oostenrijks recht kunnen (in het Duits) kunnen op de site Rechtsinformationssystem Deutsch (rechtsinformatiesysteem) onder “Bundesrecht” worden geraadpleegd.

« Toepasselijk recht - Algemene informatie | Oostenrijk - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 03-07-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk