Kruimelpad

E-mail deze paginaE-mail deze paginaPrintPrint

The cost of non-Europe. Wat kost een Europa zonder Unie?

De EU biedt op vele vlakken wat de lidstaten onderling nooit alleen zouden kunnen doen. Zonder de EU wisselden we nog steeds franken met peseta's, betaalden we torenhoge prijzen voor mobiel bellen in het buitenland en aarzelden bedrijven om in een ander Europees land zaken te doen… De Vertegenwoordiging maakte 10 fiches waarin haarfijn beschreven wordt dat de EU véél meer is dan de som van 27 aparte landen.

Energiezekerheid en energiebetaalbaarheid: de vruchten van Europese samenwerking

Op het einde van januari kregen de Oost-Europese landen meerdere dagen aan een stuk 10% minder gas geleverd uit Rusland. De oorzaak was de plotse koudegolf die het continent in zijn greep nam en de vraag naar gas in Rusland deed toenemen waardoor er minder gas voor de export beschikbaar was. Na enkele dagen waren de gasleveringen terug op het niveau dat voorzien was in de contracten, maar Rusland waarschuwde dat het niet kon voldoen aan de extra vraag naar gas vanuit Europa.

De eerste minister van Rusland, Vladimir Poetin, gaf aan de Russische gasgigant Gazprom volgende boodschap mee:

'Ik vraag u om al het mogelijke te doen om in de noden van onze buitenlandse partners te voorzien, maar met in het achterhoofd dat de hoofddoelstelling van de energiemaatschappijen, in het bijzonder Gazprom, het voorzien in de binnenlandse behoeften is.'

Welk Europees land kan alléén het hoofd bieden aan het Kremlin en Gazprom? Dit is slechts één voorbeeld. De feiten zijn zoals ze zijn: energievraagstukken kunnen vandaag niet meer beheerd worden door elk land apart. Tenzij je volledig afhankelijk wil zijn van je gas- en olie- leveranciers!

Er is echter niet enkel het probleem van de afhankelijkheid. Er is nog een bijwerking: de prijs. Daarnaast is er ook nog het probleem van de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van energie. Alleen handelen op elk van deze punten zou de beste manier zijn om de factuur nog meer de hoogte in te jagen.

Het Europees antwoord op energiegerelateerde uitdagingen is meervoudig.

Europa wil de energienetwerken van de lidstaten onderling verbinden, om zo de bevoorrading veilig te stellen en te profiteren van de schaaleffecten.

Ook het diversifiëren van de Europese energiebronnen is een belangrijk punt. Bijvoorbeeld door nieuwe infrastructuren op te zetten, zoals het Nabucco-project dat gas uit Centraal-Azië naar Europa zal brengen. De capaciteit van Nabucco is enorm: de leiding voorziet in een hoeveelheid gas die equivalent is aan de Duitse vraag in de komende 50 jaar. Ook nieuwe, hernieuwbare energiebronnen moeten bijdragen aan de diversificatie dankzij Europees onderzoek. Volgens een studie van 'Accenture' kan het gebruik van hernieuwbare energie, zoals wind in het Verenigd Koninkrijk en zon in Spanje, gekoppeld aan de interconnectie van de energienetwerken de energierekening van de Europeanen tegen 2020 met 110 miljard euro verminderen.

Het Europees antwoord streeft ernaar om de energieprijzen te verlagen in het voordeel van de consumenten door het verzekeren van concurrentie over de grenzen heen. Onafhankelijke studies hebben aangetoond dat de opening van de energiemarkt voor concurrentie de consumenten nu al twee miljard euro per jaar bespaard heeft.

De investeringen in de energiesector zijn dikwijls kolossaal. De Europese Unie heeft zonder aarzelen bijgedragen aan die investeringen, omdat de toegevoegde waarde ervan in termen van energie buiten vraag staat. En hoe meer de Europeanen samen vooruitgaan in dit domein, hoe meer Europa onmisbaar wordt. Een opwaartse spiraal.

Energiezekerheid en energiebetaalbaarheid: de vruchten van Europese samenwerking (pdf versie) pdf - 237 KB [237 KB] français (fr)

Naar boven

2020: Europa wil aan het kookpunt ontsnappen

'Er zijn geen seizoenen meer!'. Een uitspraak die je vandaag veel hoort, vooral uit de mond van ouderen. Niet verwonderlijk, de opwarming van de aarde is een feit. Naast enkele aangename effecten, overheersen jammer genoeg de schadelijke gevolgen.

In de 20e eeuw is de gemiddelde temperatuur 0,6°C gestegen. In Europa was dat zelfs 1 graad en op Antarctica 5 graden. Als er geen ernstige maatregelen genomen worden, blijft de temperatuur tot het jaar 2100 stijgen. Hoeveel? Het 'Intergovernmental Panel on Climate Change' (IPCC), een organisatie van de Verenigde Naties, voorziet een stijging van 1,4 tot 5,8°C. Voor Europa zou die stijging van 2 tot 6,3°C gaan.

De verwoestende effecten van de klimaatverandering zijn nu al zichtbaar in de wereld. Extreme klimatologische omstandigheden komen steeds vaker voor en in steeds extremere vormen: overstromingen, droogtes, orkanen,… Dergelijke verschijnselen komen met een enorme menselijke kost. Maar ook economisch zijn de kosten van de klimaatverandering niet te onderschatten. En is dit slechts het begin? Als de wereld op het huidige pad verder gaat zullen infecties zich razendsnel verspreiden, dierensoorten uitsterven, laaggelegen landen zoals Nederland grotendeels onder water komen te staan,…

Hoe stoppen we deze onheilspellende aftelling naar bovengenoemde rampenspoed? Geen enkel land is bij machte om alleen de uitstoot van broeikasgassen op wereldvlak effectief te verminderen. Wie wil wegen op het debat moet zich verenigen. Daarom is Europa onmisbaar: door samen te werken hebben we veel meer mogelijkheden!

De landen van de Europese Unie behoren tot de grootste uitstoters van broeikasgassen. Hun doelstelling is om de stijging van de temperatuur te beperken tot 2°C ten opzichte van de temperatuur vóór de industrialisering. En ondertussen zijn er concrete maatregelen genomen om de Europese economie co2-vrij te maken. Maar enkel het goede voorbeeld geven is niet genoeg. Veel landen weigeren om mee te werken aan de beperking van de uitstoot van broeikasgassen onder druk van hun industrie, die een korte termijn belang nastreeft, of omdat ze zelf ten koste van alles hun economische groei willen maximaliseren.

De Europese leiders hebben een reeks objectieven vooropgesteld, de 20-20-20-objectieven, die ze tegen 2020 willen bereiken. Ten eerste willen ze de uitstoot van broeikasgassen beperken met 20% ten opzichte van 1990, ten tweede willen ze 20% van hun energie uit hernieuwbare bronnen halen en tot slot moet het energieverbruik in de EU dalen met 20% door op een efficiënte manier met energie om te springen. De Europese Unie stelde zelfs voor om de uitstoot van broeikasgassen met 30% te verminderen als de andere economieën gelijkaardige inspanningen wilden doen.

De emissierechtenhandel in Europa vormt de hoeksteen van de Europese strategie tegen de opwarming van de aarde. Op dit vlak was Europa een pionier. Het is een systeem dat grootverbruikers van energie toelaat om uitstootrechten te kopen en te verkopen, afhankelijk van hoeveel ze er zelf gebruiken. De emissiehandel draagt dus bij aan groene investeringen en energie-efficiëntie: wie weinig verbruikt, kan zijn rechten die hij niet gebruikte doorverkopen.

2020: Europa wil aan het kookpunt ontsnappen (pdf versie) pdf - 292 KB [292 KB] français (fr)

Naar boven

Het groot comfort van de euro

Het meest tastbare en  concrete bewijs van Europese integratie zit in onze portemonnee: de euro.  Al sinds 2002 gebruiken we de Europese munt bij de bakker, in de supermarkt, op café en als we voor een weekendje naar Lissabon, Helsinki of Berlijn trekken, kunnen we ons met diezelfde euro overal behelpen. Ooit was het anders.

Als we de grens overstaken was het prijs: geld wisselen, commissieloon betalen en voor het wisselrisico ophoesten. In de 17 landen van de eurozone hoeft dat niet langer. Voor de burger is het pure winst en extra comfort. Tot december 2009 was het verhaal rond de euro één, lange successtory. Met de Griekse crisis werd echter duidelijk dat er enkele verontrustende constructiefouten aan de euro zaten. De Europese munt wordt immers niet door een gemeenschappelijk economisch en fiscaal beleid gedragen. De euro zweeft in het politieke luchtledige.

In Griekenland ging het goed fout, omdat de regels die in 1991 in het verdrag van Maastricht waren afgesproken, niet werden nageleefd en omdat Brussel de Grieken niet durfde of kon sanctioneren. Het ontbrak Brussel aan de controle-instrumenten en de macht om de Griekse politieke klasse hard op de vingers te tikken. Ondanks de gemeenschappelijke munt konden de lidstaten zich nog heel veel vrijheid en onbetaalbare feestjes veroorloven. De Griekse crisis bracht nog een andere constructiefout aan het licht: het onvermogen van de eurolanden om een in wezen kleine crisis als de Griekse onder controle te krijgen. Het gevolg? Steeds meer landen raakten besmet en in heel ruime kring won de opinie veld dat het einde van de euro in zicht was.

Ondanks het gerommel bij de achterban, de interne touwtrekkerij en de ruzies met de collega’s bleven de chefs de noodzaak van de euro keihard verdedigen. Zo verbazend is dat niet eens. Gemiddeld zou de euro de economische groei van de 12 leden van de club met 10 procent vooruit gestuwd hebben. Door het verdwijnen van het wisselrisico kreeg de handel binnen de eurozone een onwaarschijnlijk krachtige impuls. De Europese Commissie schuift hier een cijfer van circa 25 procent naar voor. Vooral Duitsland, het exportland bij uitstek, waar een kwart van de banen direct of indirect van de uitvoer afhankelijk is, profiteerde van de euro. Tussen 1990 en 1998 steeg de Duitse uitvoer naar de andere 16 landen van de eurozone gemiddeld met 3 procent per jaar. Tussen 1999 en 2003 was het 6,5 procent, tussen 2004 en 2007 zelfs 9 procent. Geen enkel euroland deed beter. De positieve balans stimuleerde de regeringsleiders in 2011 om het gevecht voor de euro onverminderd verder te zetten. Ze beseften trouwens dat het opdoeken van de euro allicht de hele Europese integratie onderuit zou halen. Opmerkelijk was bovendien dat de meerderheid van de publieke opinie achter de euro bleef staan. Volgens de Eurobarometer van  december  2011  blijft  nog steeds 64 procent van de bevolking van de eurozone ervan overtuigd dat de gemeenschappelijke munt behouden moet blijven. In de hele EU is dat 53 procent.  De burger wil duidelijk dat de euro blijft. Hij is ondertussen gewend aan reizen-zonder-wisselkoersen en begint volop van de “Single Euro Payments Area”te genieten. Een innovatie die de burger 50 tot 100 miljard euro opbrengt. Een terugkeer naar het tijdverlies, de administratieve rompslomp en de dure nationale fantasietjes van weleer lijkt hem geen verantwoorde optie.

Tijdens de Europese Conventie, toen onder de leiding van Valéry Giscard d’Estaing het Grondwettelijk verdrag op papier werd gezet, probeerde de Commissie en het Parlement herhaaldelijk de afspraken van Maastricht rond het gemeenschappelijk economisch bestuur van de Unie aan te scherpen. Tevergeefs. Alle voorstellen in die zin werden door de lidstaten van tafel geveegd, want strikt nationale materie. Een verdere overdracht van soevereiniteit was absoluut taboe. De “euro-forie” was toen trouwens compleet. Alle waarschuwingen over de zwakke, politieke fundamenten van de euro werden weggewuifd. Zelfs Duitsland, nochtans de uitvinder van de criteria van Maastricht, veegde het fameuze Stabiliteitspact onder de mat. Toen het begrotingstekort de 3 procent overschreed en de Commissie in 2003 de rode kaart wou bovenhalen, organiseerde Duitsland samen met Frankrijk het verzet. De Commissie werd teruggefloten en alle eurolanden concludeerden dat het opnieuw “business as usual” was. Met de globale financiële crisis van 2008 (made in the USA) en de ineenstorting van de Griekse geld- en staatsmachine werd pijnlijk duidelijk dat de euro opnieuw herijkt moest worden. Omwille van de crisis werden dingen die tot voor kort taboe waren plots aanvaardbaar. Bijna automatische sancties bijvoorbeeld. Met de crisis werden de kaarten in de Unie grondig herschikt. Om het gemeenschappelijk goed, de euro, te beschermen, moeten de nationale regeringen en parlementen voortaan gedisciplineerd in de pas lopen. Op straffe van boete, want deze keer kan de Commissie wel verbaliseren.

Het groot comfort van de euro (pdf versie) pdf - 542 KB [542 KB] français (fr)

Naar boven

Van mobiele telefoon naar kennismaatschappij

Er was eens één groot overheidsconcern dat het monopolie had over alles wat met telefonie te maken had. In België heette dat bedrijf RTT en het haalde voortdurend de pers omdat het log, traag en erg klantonvriendelijk was. Het duurde weken om je telefoon te laten aansluiten en wie protesteerde kon nog langer wachten, want er was geen alternatief voor de RTT.

Het lijkt een verhaal uit de tijd dat de dieren nog konden praten, maar dat is het niet. In de jaren tachtig van vorige eeuw zat de telecom nog in de middeleeuwen. In 1987 werd echter een tijdperk afgesloten en begon een nieuw hoofdstuk. De Europese Commissie publiceerde toen een Groenboek over telecommunicatie, waarin de fundamenten voor een slagvaardiger, dynamischer en klantvriendelijker sector werden gelegd. Ook in België bleven de gevolgen niet uit: de RTT werd opgedoekt, het overheidsmonopolie teruggeschroefd en Belgacom verscheen op het toneel. 

Zo begon in België een nieuw telecomperiode, maar ook in Europa en de globale wereld waren nieuwe tijden in aantocht. De revolutie van de digitale samenleving kon van start gaan, zo ook de  opmars van het internet en de informatiemaatschappij. Daarbij eiste de Europese Commissie een hoofdrol op. Ze legde in Europa het kader vast voor een meer competitieve sector. Dat was een taai gevecht. De vroegere monopolisten hadden het lastig om de oude gewoontes op te geven en de nieuwe technologieën leenden zich tot woekermarges en bedenkelijke praktijken. Prioritair werd de mobiele telefonie aangepakt. Europa legde het kader vast voor de technische normen, die voor de hele Unie moesten gelden. Het netwerk moest Europees, niet nationaal zijn. Mede door die pan-Europese afspraken, ondermeer voor de netwerken van de derde generatie (3G)  werd de mobiele telefonie een Europees succesverhaal. In 2005 was 92,8 procent van de Europese bevolking via het mobieltje bereikbaar.

Tot vijf jaar terug betaalde je je blauw als je met de gsm in het buitenland belde. Omdat je gebruik maakte van het netwerk van een buitenlandse operator, werden de zogenaamde roamingkosten aan je eigen operator doorgerekend. En dit tegen prijzen om U tegen te zeggen. Nadat ze maandenlang tevergeefs met gsm-operatoren over een lagere roamingprijs onderhandelde, kondigde de Commissie in 2007  een erg drastische maatregel aan: een maximumtarief. Met één klap werd mobiel bellen in het buitenland gemiddeld 60 procent goedkoper. In 2009 werden de prijzen nog verder op scherp gezet. De roamingtarieven kregen nog een knauw en ook de sms-jes kwamen in het vizier. Een bericht uit het buitenland mocht maximaal nog 0,11 euro kosten of drie keer minder dan het toenmalig Europees gemiddelde. "EU-burgers zouden sms-jes moeten kunnen sturen zonder te worden opgelicht! Roamingtarieven hebben al te lang de portemonnee van de mensen leeggehaald"; zei toenmalig bevoegd Commissaris Viviane Reding erover. En nog staat er geen punt achter het prijzenverhaal. Op 6 juli 2011 kondigde huidig bevoegd Commissaris Neelie Kroes aan dat ze definitief komaf wil maken met de hoge roamingkosten voor het gebruik van mobiele telefoons en internet in het buitenland. Vanaf 1 juli 2014 zouden er structurele maatregelen komen en moesten de klanten de kans krijgen om desgewenst een goedkoper roamingcontract, los van hun contract voor nationale mobiele diensten en met behoud van het telefoonnummer, af te sluiten. In afwachting besliste de Commissie om verder in de prijzen te hakken.  Tegen 1 juli 2014 mogen roamingklanten voor een uitgaand gesprek niet meer dan 24 cent per minuut betalen, voor een inkomend gesprek maximaal 10 cent en maximaal 50 cent per Megabyte (MB) om in het buitenland gegevens te downloaden. Bellen in het Europees buitenland hoeft bijgevolg geen ruïnering meer te zijn. Tenzij je natuurlijk in Zwitserland bent. Daar bedraagt de roamingkost nog steeds het dubbele van Duitsland en Oostenrijk.

De hardnekkigheid waarmee de Commissie zich in de roamingproblematiek vastbijt, heeft alles met de digitale agenda en dito eengemaakte markt van doen. Het gaat hier om één van de blikvangers van de Europa 2020-strategie, die de economische slagkracht van de EU de volgende tien jaar moet  garanderen. De informatie- en communicatietechnologieën (ICT) spelen hier een strategische rol. Het komt er dus op aan om het potentieel van ICT ten volle te benutten. Zowel inzake groei als levenskwaliteit. Digitale technologie opent de deur voor betere gezondheidszorg, veiliger transport, een schoner milieu en vlottere toegang tot overheidsdiensten. Daarvoor is echter een pan-Europees netwerk nodig en moeten nog veel (nationale) barrières gesloopt worden. Tegen 2015 wil de Commissie de internethandel in Europa alvast verdubbelen. In dat geval kunnen de onlinehandel en –diensten in landen als Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden meer dan 20 procent van de groei en de nieuwe banen voor hun rekening nemen. Momenteel bedraagt de e-handel in de detailverkoop 3,4 procent. Als dat tot 15 procent opgetild kon worden, zo rekende de Commissie uit, zou de Europese consument er zowat 204 miljard euro, goed voor 1,7 procent van het bruto binnenlands product, beter van worden. Op jaarbasis is dat een bonus van 400 euro per Europeaan.

Van mobiele telefoon naar kennismaatschappij (pdf versie) pdf - 486 KB [486 KB] français (fr)

Naar boven

Antwerpen en de grote 3 van Europa

Antwerpen heeft veel aan de Schelde, maar ook aan de Europese Unie, in het bijzonder de interne markt, te danken. Die zorgde ervoor dat het hinterland van Antwerpen steeds verder kon uitdijen en dat goederen uit verre hoeken van Europa hun weg naar de Scheldekaaien vonden.

Moderne havens hebben diep water nodig, maar zijn allergisch voor grenzen en politieke instabiliteit. A fortiori is dat het geval voor een haven van een klein land, die aan een stroom ligt die in een ander land in zee vloeit. Na de val van Antwerpen in 1585 hielde de Republiek der Verenigde Nederlanden de Schelde meer dan twee eeuwen dicht en verstikte zo de ontwikkeling van stad en regio. De Europese Unie daarentegen legde in Antwerpen de fundamenten voor een indrukwekkende expansieperiode. Een nieuwe gouden eeuw komt er allicht nooit meer, maar bij momenten is er de illusie dat het roemrijke verleden opnieuw actueel is. Dank zij de Europese stabiliteit is de Antwerpse haven meer dan ooit een vliegwiel voor groei en tewerkstelling. In 2011 bedroeg de totale goederenoverslag in de Antwerpse haven 186,4 miljoen ton. Omdat zich in het tweede semester een groeivertraging voordeed, werd het absolute record van 2008 net niet geklopt. Toen klokte de haven op 190 miljoen ton af. Al vele jaren is Antwerpen de op één na grootste haven van Europa. Met 430 miljoen ton in 2010 staat Rotterdam  afgetekend aan de kop. Op de derde plaats, op respectabele afstand van Antwerpen, komt Hamburg.  Sinds de interne markt in 1991 van start ging, hebben de grote drie er een spectaculaire groei opzitten. In Rotterdam was er een stijging van de goederenoverslag met 50 procent. In Hamburg zelfs met 130 procent, terwijl Antwerpen er met 75 procent op vooruit ging.

Hoe minder grenzen en hoe kleiner de administratieve en technische barrières tussen de landen, hoe beter voor de havens. Hoewel het perspectief van de eenheidsmarkt reeds in het verdrag van Rome was verankerd, vroeg  de realisatie ervan veel tijd.  Pas in 1968 werd een eerste stap gezet: de douanerechten en toltarieven werden afgeschaft, goed voor een forse stimulans van het goederentrafiek.  De oliecrisis van de jaren zeventig maakte echter vlug duidelijk hoe broos zo’n veredelde douane-unie is.  Onder druk van de eigen ondernemingen probeerden de lidstaten de gevolgen van de economische terugval op anderen af te wentelen en begonnen ze een gevaarlijk spelletje marktsegmentatie. Er werden steeds nieuwe normen ingevoerd om producten en nationale markten te beschermen. Zeker na de revolutie in Iran van 1979 en de nieuwe hausse van de olieprijzen, die de Europese landen met een groot handelstekort opzadelde en vervolgens in de recessie duwde, ontlokte in de hele Unie protectionistische oprispingen. Omdat het van kwaad naar erger dreigde te gaan, pakte toenmalig Commissievoorzitter Jacques Delors in 1985 met zijn fameus Witboek uit. Een jaar later was de Europese Akte een feit en lag er een concreet plan op tafel om de interne markt te voltooien. De deadline was 1 januari 1993.

Tussen 1992 en 2006 bedroeg de economisch groei in de EU gemiddeld 2,15 procent en de Europese havens spinden er fors garen bij.  De tewerkstelling vaart daar goed mee, want havens generen veel jobs. In een studie van de Nationale Bank van België (NBB) van juni 2011 wordt de totale (directe en indirecte) tewerkstelling van de Antwerpse haven in 2009 op 149.326 banen geraamd. Dat lijkt veel, maar toch ligt die raming 4,9 procent lager dan het jaar voordien. De financiële crisis en de recessie eisten hun tol. Globaal daalde de Belgische haventrafiek in 2009 met 15 procent en de tewerkstelling kreeg een knauw. Voor alle Belgische havens (Antwerpen, Gent, Oostende, Zeebrugge, Luik en Brussel) bedroeg die totale tewerkstelling in 2009 266.669 banen. De Vlaamse havens, aldus de NBB, nemen 10,4 procent van de Vlaamse tewerkstelling voor hun rekening, terwijl de Belgische havens goed zijn voor 6,8 procent van de nationale tewerkstelling. Wat de toegevoegde waarde betreft, neemt Antwerpen 57,1 procent van de Belgische havens voor haar rekening, Gent haalt 22,4 procent en Luik 8,1 procent.

Of de zeehavens met de spectaculaire groeicijfers van de vorige decennia kunnen blijven aanknopen, is maar de vraag.  Ook de scheepvaart heeft een ecologische voetafdruk en de irritatie over het gigantische van de havenuitbreidingen groeit. Of de bedrijven in dit post-industriële tijdperk het nog even nodig vinden om zich aan het diep water van een havengebied te vestigen, is eveneens twijfelachtig. Zeker is echter dat de binnenscheepvaart nog voor lange jaren in de lift zit. Als de wegen dichtslibben en de olieprijs verder stijgt, kan het reveil van kust- en binnenscheepvaart niet lang meer uitblijven.

Antwerpen en de grote 3 van Europa (pdf versie) pdf - 541 KB [541 KB] français (fr)

Naar boven

Jobs, groei en solidariteit: de Europese Unie laat niemand in de kou staan

In het Noord-Oosten van Engeland zouden er 28.000 werklozen meer zijn. Daar komt veel bijkomende sociale ellende bij kijken… De regio zou uit de boot van groei en ontwikkeling gevallen zijn, als EFRO niet geholpen had.

EFRO is het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en heeft het mogelijk gemaakt om 3000 ondernemingen te starten in Noord-Oost Engeland, goed voor 28.000 jobs.

Elders, voornamelijk op de grenzen van de Europese Unie, blijven hobbelige wegen het verkeer en de economische activiteit belemmeren, wat bijdraagt aan ongelukkige vertragingen. Letterlijk en figuurlijk. De Europese Unie investeert echter enorm: in de periode 2000-2006 werd 77% van de uitbreiding van het wegennetwerk in de 15 landen die geviseerd worden door de cohesiepolitiek (de 12 landen van de laatste uitbreiding samen met Griekenland, Portugal en Spanje) mede gefinancierd door de EU. Ook 56% van de uitbreiding van het hogesnelheidstreinnet in alle lidstaten kwam gedeeltelijk tot stand met Europees geld.

Het gaat niet goed met Griekenland. Maar het zou nog slechter gaan zonder de nieuwe luchthaven van Athene die opende in 2001 en gebouwd werd met steun van de EU, in het bijzonder van de Europese Investeringsbank. Volgens een onderzoek van de Atheense universiteit voor economie en management heeft de luchthaven het Griekse BBP met 2,14% doen stijgen en 63.000 jobs gecreëerd.

Dergelijke voorbeelden zijn talrijk doorheen Europa omdat het cohesiebeleid één van de prioriteiten is van de Europese Unie en opgenomen is in Artikel 2 van het Verdrag. Het gaat om solidariteit en de herverdeling van rijkdom, maar ook om het promoten van investeringen om de economische groei te stimuleren en naar een duurzame economische ontwikkeling te groeien.

Vier fondsen, gespijsd met 350 miljard euro voor de periode 2007-2013, zijn hiervoor opgericht. EFRO omvat projecten die focussen op algemene infrastructuur, innovatie en investeringen. Het Europees Sociaal Fonds financiert projecten die betrekking hebben op beroepsopleidingen en andere programma's die de werkgelegenheid bevorderen. Het cohesiefonds financiert natuurvriendelijke infrastructuurprojecten en transport, alsook de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Het fonds is voorbehouden voor de vijftien bovenvermelde landen waarvan de levenskwaliteit minder bedraagt dan 90% van het Europese gemiddelde.

De tussenkomsten van deze fondsen beantwoorden aan vier principes: concentratie van de middelen, programmering van de financiering, samenwerking met de nationale en lokale autoriteiten en de maatschappelijke organisaties en tot slot de nationale financiële verplichtingen die blijven bestaan.

Niets is concreter dan de resultaten van deze fondsen! Er werden 1,7 miljoen banen gecreëerd en 20 miljoen mensen werden aangesloten op het drinkwaternet tussen 2000 en 2006.

Begin 2012 schiet er nog 82 miljard euro van de 350 over die gebruikt kunnen worden voor nieuwe projecten. Omdat Europa nu vol wil inzetten op economische groei en jobs om uit de crisis te ontsnappen, werd beslist dat de Commissie dit geld moet aanwenden voor projecten die daartoe bijdragen. De focus ligt hierbij op de jongerenwerkloosheid die in veel lidstaten torenhoog is.

Gezien de huidige budgettaire moeilijkheden van de lidstaten is ook het percentage voor de cofinanciering aangepast. Als gevolg hiervan moeten de lidstaten zelf minder betalen vooraleer de Europese fondsen tussenkomen.

Jobs, groei en solidariteit: de Europese Unie laat niemand in de kou staan (pdf versie) pdf - 647 KB [647 KB] français (fr)

Naar boven

Te land, ter zee en in de lucht

Tot het begin van de jaren negentig van vorige eeuw was het vliegveld van Gosselies nauwelijks meer dan een startbaan, enkele hangars en een paar gebouwen. In feite was het een annex van de regionale sterkhouders Sabca en Sonaca. Daar draaide het om, dat was de toekomst.

Alles veranderde in 1997, toen de Ierse lage kostenmaatschappij Ryan Air een verbinding tussen Charleroi en Dublin inlegde. Goed voor 210.727 passagiers dat jaar. Tien jaar later telde Charleroi 2,9 miljoen passagiers en in 2010 zelfs meer dan 5 miljoen. Brussels South Charleroi Airport is nu één van de belangrijke krachtcentrales van de  Waalse economie en een vliegwiel voor de economische vernieuwing in het zuiden.

De explosieve groei van “Brussels South” kwam niet zomaar uit de hemel neerdalen. Er gingen jaren  moeizaam onderhandelen aan vooraf. Niet zozeer in Charleroi als wel in Brussel en de Europese hoofdsteden. Er moest immers afgerekend worden met machtige nationale lobby’s die het monopolie van de eigen luchtvaartmaatschappijen met hand en tand verdedigden. Dat deden ze trouwens ook met het spoor en de scheepvaart. Om die reden bleef het gemeenschappelijk vervoerbeleid, dat nochtans al in het verdrag van Rome was opgenomen, tot 1985 grotendeels dode letter. De lidstaten blokkeerden elk gedurfd initiatief of voorstel van de Europese Commissie. In 1985 had het Europees Parlement er genoeg van en toonde het zijn tanden. Het daagde de Raad van ministers wegens nalatigheid voor het Hof. Een primeur. In een opmerkelijk arrest kreeg de Raad de volle lading. Het Hof oordeelde dat “de Raad het verdrag heeft geschonden door na te laten te vrijheid van dienstverlening op het gebied van internationaal vervoer te verzekeren.” Voor de Europese Commissie was het arrest een godsgeschenk. Zo ook het verdrag van Maastricht dat het Europees vervoersbeleid uit de verstikkende unanimiteitssfeer haalde. Met de Witboeken van 1992 en 2001 schetste de Europese Commissie het kader voor een duurzame Europese mobiliteit.

Zo kon op 1 april 1997 de interne markt voor luchtvervoer van start gaan. Het volstaat dat een maatschappij in één van de lidstaten is geregistreerd, om te kunnen opstijgen en/of landen vanuit eender welke lidstaat. Zo kon Ryan Air vanuit Charleroi aan zijn Europese saga beginnen. Niet alleen Ryan Air trouwens. Door het wegvallen van de nationale grendels en barrières groeide de trafiek in de jaren 1995-2004 dubbel zo vlug als de jaren voordien. Goed voor 44 miljoen extra passagiers en 1,4 miljoen nieuwe banen. Ondermeer de reis- en toerismesector pikten hier een dik slaatje mee. Ondertussen wordt er hard aan een Europees trafiekmanagement (SESAR) gewerkt. Het zou de CO2-uitstoot moeten verminderen, de veiligheid verbeteren en de kost doen dalen. Volgens de Commissie kan het project tegen 2030 ruim 750.000 bijkomende jobs scheppen.

Minder spectaculair misschien, maar even ingrijpend was de slag rond de nationale spoorwegmonopolies. Die waren sinds de Tweede Wereldoorlog veel marktaandeel aan het wegvervoer kwijtgespeeld en het sterkte de Commissie in haar overtuiging om ook hier de nationale grenzen te doorbreken. Het was toenmalig vervoerscommissaris Karel Van Miert, die er in 1991 met de eerste liberaliseringslijn de beuk inzette. Essentieel was de scheiding tussen het beheer van de spoorweginfrastructuur en de exploitatie van de vervoerdiensten. Op 1 maart 2007 werd de Europese markt voor internationaal goederenvervoer opengesteld en op 1 januari 2010 was het passagiersvervoer aan de beurt. Net  zoals in de luchtvaart kwam er in 2007 een verordening waarin de rechten van de passagiers werden vastgelegd. Treinreizigers krijgen nu een schadevergoeding wanneer ze bij een ongeval een letsel oplopen. Op internationale trajecten hebben de passagiers recht op een financiële compensatie in geval van aanzienlijke vertraging. Twintig jaar voordien, toen nationale trein- en luchtvaartmaatschappijen het eerste en het laatste woord spraken, was zoiets ondenkbaar. De reiziger had toen alleen plichten. Niet de klant, maar de monopolist was koning. Voor de Amerikaan Steven Hill van New American Foundation is het Europese transportsysteem superieur aan het Amerikaanse. In zijn “Europe’s Promise” (2010) schrijft hij: “Al een paar decennia pakt Europa met innovaties in de transportsector uit waardoor het veel beter geplaatst is om de nieuwe uitdagingen op te vangen. Het Europees transportjuweel is de trein. Wat een verschil met het Amerikaans spoor. Alsof je een professionele voetbalclub met een amateurploegje vergelijkt…” 

Ook op het zeevaartvervoer drukt de Unie haar stempel. De grote milieurampen met de olietankers Erika in Bretagne (1999) en Prestige in Galicië (2001) gaven Commissie en Parlement de hefbomen  om de veiligheidsvoorschriften in de scheepvaart aanzienlijk aan te scherpen. De lidstaten werden verplicht om schepen die een Europese haven aandeden op hun zeewaardigheid te controleren. De blikvanger was ongetwijfeld het verbod op enkelwandige olietankers. Belangrijk is ook dat de Commissie de scheepvaart nu heel nadrukkelijk als een alternatief voor het vervoer over het land naar voor schuift. Vandaar de promotie van het zeevervoer over korte afstand. De Europese Commissie wil een netwerk van snelle verbindingen tussen de zeehavens uitbouwen – “maritieme snelwegen” – om zo grote volumes goederenvervoer van de Europese wegen te halen.

Te land, ter zee en in de lucht (pdf versie) pdf - 571 KB [571 KB] français (fr)

Naar boven

De uitbreiding met 12 lidstaten zorgt voor voordelen voor 27 lidstaten

Je kan niet alles in cijfers uitdrukken! Wat zou er van ons continent gekomen zijn indien de Europese Unie zijn armen niet had geopend voor de Oostelijke helft van Europa, die zich wankelend uit de greep van de Sovjet-Unie bevrijdde na de val van de Berlijnse muur?

Zouden de Centraal- en Oost-Europese landen opnieuw gedomineerd worden, ditmaal door Rusland? Of gingen ze zich in nationalisme, oorlogen en maffiapraktijken storten? Niemand kan het zeggen. Maar het risico was wel reëel dat één of andere vorm van instabiliteit zich aan de Oosterse grenzen van de Unie zou nestelen.

Gelukkig is daar niets van in huis gekomen omdat de Unie gekozen heeft voor de hereniging! Deze keuze bracht vrede en democratie met zich mee, wat van een onschatbare waarde is, voor zowel de burgers van de nieuwe lidstaten als die van de bestaande. Er werd zonder twijfel ook welvaart gecreëerd aan beide zijden van het ijzeren gordijn, wat ondertussen slechts een verre herinnering is.

Enkele voorbeelden van de voordelen die de vijfde uitbreiding, goed voor tien landen in 2004 en nog twee in 2007, met zich mee bracht. We beginnen bij de nieuwe lidstaten. Hun BBP steeg gemiddeld met 1,75% per jaar. Het inkomen per inwoner ging van 40% van dat van de oude lidstaten in 1999 naar 52% in 2008. In diezelfde periode verdubbelde hun aandeel in de wereldhandel tot 4%.

De oude lidstaten profiteerden ook van de uitbreidingen van 2004 en 2007. Door de stijging van hun handel met de nieuwe lidstaten steeg hun BBP met 0,5 tot 0,7% in diezelfde periode.

Enkele onheilsprofeten voorspelden een onhandelbare immigratiegolf, maar daar kwam niets van in huis. In tegendeel. De werkkrachten die uit de nieuwe lidstaten kwamen integreerden zich makkelijk in de arbeidsmarkt van de oude lidstaten, waar ze vacatures invulden die de oude lidstaten zelf niet konden invullen, voornamelijk in de bouw- en dienstensector.

De vijfde uitbreidingsgolf was de belangrijkste in termen van landen en hun bevolking en dat zal altijd zo blijven. Als toekomstige uitbreidingen mogelijk blijken dan zullen deze nooit meer van een dergelijke grootorde zijn. Kroatië heeft net zijn toetredingsverdrag getekend en het werd door de bevolking via een referendum goedgekeurd. In 2013 zal het land officieel toetreden tot de Europese Unie. Andere landen hebben het statuut van kandidaat-lidstaat: Turkije, de voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonië, IJsland en Montenegro. De andere voormalige landen van Joegoslavië hebben allen zicht op een 'Europees perspectief', uitgezonderd Slovenië dat al lid is.

Om toegelaten te worden tot de Europese Unie, moet elke kandidaat-lidstaat de toetredingscriteria respecteren. Op politiek vlak moet men beschikken over stabiele instellingen die het functioneren van een democratie en een rechtstaat verzekeren en de mensenrechten respecteren. Economisch moet men het systeem van de vrije markt omhelzen en tegen de concurrentiekracht in de Europese Unie opkunnen. Het laatste criterium is juridisch: iedereen moet de Europese wetgeving overnemen en zich engageren om de hoofddoelstellingen van de economische en monetaire unie te halen. Men mag niet vergeten: elke lidstaat moet uiteindelijk overstappen naar de euro, uitgezonderd het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.

De uitbreiding met 12 lidstaten zorgt voor voordelen voor 27 lidstaten (pdf versie) pdf - 301 KB [301 KB] français (fr)

Naar boven

27 lidstaten, 1 innovatiekampioen

De toekomst is aan onderzoek en innovatie! Dat geldt zeker voor de landen van de Europese Unie. Geconfronteerd met de opkomende grootmachten en hun goedkope handenarbeid, moeten de Europeanen absoluut de kampioenen in innovatie blijven (of opnieuw worden?) voor producten, diensten, handel, enz…

Maar welk Europees land kan vandaag alleen aanspraak maken op de titel van innovatiekampioen in een wereld met meerdere grotere clusters? Het is een kwestie van grootte en nationale middelen, die nu bovendien aangetast zijn door de budgettaire crisis. In dit domein, nog meer dan in andere, is de Europese Unie de enige oplossing.

De eerste prioriteit van de Europese politiek in het domein van onderzoek en innovatie is de nationale inspanningen coördineren en de beschikbare middelen en mensen gemeenschappelijk maken. Het gaat erom om een 'kritische massa' te bereiken. Bijvoorbeeld in het onderzoek naar zeldzame ziektes zorgt de Europese aanpak ervoor dat er met een groter aantal patiënten kan gewerkt worden en dat de onderzoekers zich meer kunnen specialiseren.

En de publieke investeringen hebben een multiplicator-effect. Uit een recente studie blijkt dat voor elke euro die publiek geïnvesteerd werd in onderzoek, er 0,93 euro extra werd geïnvesteerd door private ondernemingen.

De tweede Europese prioriteit is om de 'best practices' in het gebied van onderzoek te promoten door middel van het scholingsbeleid, uitwisselingen en mobiliteit. Het is ook noodzakelijk om een echte Europese arbeidsmarkt voor onderzoekers tot stand te brengen of de 'braindrain' kan zich verder zetten… De bottom line is natuurlijk werk en economische groei voor iedereen. De 27 lidstaten werden aangezet om tot 2020 3% van hun BBP te investeren in onderzoek (1% publieke financiering en 2% private financiering), wat moet leiden tot de creatie van 3,7 miljoen jobs in Europa en een stijging van het BBP met 800 miljard.

Het zevende kaderprogramma voor onderzoek (2007-2013), dat 50,5 miljard euro aan middelen kreeg, is de meest concrete uitwerking van de Europese wil om een toonaangevende speler te blijven in dit domein. De financiële gevolgen spreken voor zich: men schat dat elke euro van het kaderprogramma zich op termijn vertaalt in een verhoging van de industriële toegevoegde waarde tussen 7 en 14 euro. Op lange termijn (2030) voorzien de macro-economische analyses dat het zevende kaderprogramma voor onderzoek 900.000 arbeidsplaatsen zal creëren, waarvan 300.000 onderzoeksplaatsen. Dankzij de toegenomen competitiviteit zal tezelfdertijd de EU-export verhogen met 1,6% en de import verlagen met 0,9%.

Het zevende kaderprogramma omvat volgende domeinen: gezondheidszorg, voeding, landbouw, visvangst, biotechnologie, informatie- en communicatietechnologie, energie, klimaat(swijziging), transport (luchtvaart), economische, sociale en humane wetenschappen, ruimtevaart en veiligheid. Ook nanowetenschap, nanotechnologie, materialen en nieuwe productietechnologieën behoren tot het programma.

27 lidstaten, 1 innovatiekampioen (pdf versie) pdf - 350 KB [350 KB] français (fr)

Naar boven

De onvoltooide interne markt

Als Jean Monnet, Robert Schuman, Paul-Henri Spaak en de andere “founding fathers” er uiteindelijk in 1957 in slaagden om zes landen het verdrag van Rome te doen ondertekenen, zat het perspectief van één grote Europese markt daar voor veel tussen. Het deed ondernemers watertanden en politici dromen van volledige tewerkstelling, immer stijgende welvaart en riante fiscale ontvangsten.

In het stichtingsverdrag van de Unie zitten de krachtlijnen van de eenheidsmarkt voor goederen, diensten, personen en kapitaal duidelijk verankerd. Toch duurde het nog meer dan dertig jaar vooraleer de gemeenschappelijke markt een feit was. Er was een gedreven en creatieve Commissievoorzitter Jacques Delors nodig om de lidstaten achter het nieuw verdrag te krijgen. Pas op 1 januari 1993 werd de interne markt voor goederen als “voltooid” beschouwd. Die conclusie was behoorlijk optimistisch. Het werk was verre van af en ook in 2012 is het vrij verkeer ver van volledig. Zowel inzake personen als diensten moeten er nog belangrijke hindernissen genomen worden.

Desondanks is de interne markt één van de kroonjuwelen van de Europese Unie. Tussen 1992 en 2006 zou het de economische groei in de lidstaten met gemiddeld 2,15 procent hebben doen toenemen. In 2006, zo rekende de Europese Commissie uit, betekent dat een bonus van 240 miljard euro. In dezelfde periode zorgde de interne markt voor 2,75 miljoen extra jobs of een stijging van 1,4 procent.  Door de schaalvergroting – er kan nu een markt van circa 500 miljoen consumenten bediend worden – zijn de Europese bedrijven beter gewapend om de concurrentieslag op de wereldmarkt aan te gaan.  Ze wonnen dan ook marktaandeel. In 1992 bedroeg de EU-uitvoer naar derde landen slechts 6,9 procent van het Europees binnenlands product, in 2001 was dat 11,2 procent. Tegelijkertijd werd de EU een aantrekkelijke locatie voor buitenlandse investeerders. De vele barrières die de handel tussen de lidstaten belemmerde, waren grotendeels opgedoekt en een enorme afzetmarkt lag nu binnen bereik.

De maatregel die in 1993 vooral de aandacht trok, was de afschaffing van de fysieke grenzen (grenscontroles en douaneformaliteiten) tussen de lidstaten. De eindeloze files aan de grensposten en het hinderlijke tijdsverlies, maar ook de miljoenen douanepapieren behoorden meteen tot het verleden. In 1988 rekende de Europese ambtenaar Paolo Cecchini, die de geschiedenis zal ingaan als de uitvinder van het begrip de “cost of non-Europe”, uit dat de overheid er 1 miljard euro bij spaarde en het bedrijfsleven 8 miljard euro. Ook na de start van de gemeenschappelijke markt zochten de lidstaten naar achterpoortjes om eigen producten te beschermen of een buitenlands product uit de nationale rekken te houden. Zo voerde Frankrijk in 2003 een speciale belasting in op bier met een alcoholgehalte hoger dan 8,5 procent. Dit zou de taks bijna vertienvoudigen en vooral de Belgische zware trappisten en speciaalbieren treffen. Ze dreigden onbetaalbaar te worden. Omdat Frankrijk geen zware bieren maakt, voelden de Belgische brouwers zich direct geviseerd. Ze dienden klacht in bij de Europese Commissie en na overleg tussen de Franse en Belgische regeringen, werd de heffing afgevoerd. Het Belgisch trappistenbelang was gevrijwaard. Ook België durfde de trukendoos bovenhalen. Om de consument bij zijn keuze tussen boter en margarine niet in verwarring te brengen , besliste de Belgische regering dat margarine enkel nog in kubusvormige pakjes verkocht mocht worden. Het Hof van Justitie floot België terug en beschouwde de maatregel als een onaanvaardbare handelsbelemmering.

Volgens de Europese Commissie kunnen de baten van de interne markt verdubbelen indien de nationale barrières ook bij de diensten, ondermeer in de digitale economie, zouden verdwijnen. In 2006 waren de diensten goed voor 75 procent van het Europees BBP en werkgelegenheid. In de handel tussen de lidstaten bedraagt hun aandeel slechts 25 procent. Dat had alles te maken met de bijkomende voorwaarden die de lidstaten aan buitenlandse ondernemers oplegden, alsook aan het kluwen van regels en reglementen. Meestal is het een labyrint waar zelfs de autochtoon nauwelijks zijn weg in vindt. In 2004 pakte de Commissie met een dienstenrichtlijn uit, die al vlug de naam van de bevoegde Commissaris Frits Bolkestein meekreeg. De diensten van algemeen belang, alsook de telecom, openbaar vervoer en gezondheidszorg bleven buiten de richtlijn. Uiteindelijk werd de grondig geamendeerde richtlijn eind 2006 goedgekeurd en op 28 december 2009 trad ze in werking. Een echt succes was het niet en een jaar later kwam de Commissie tot de conclusie dat de Europese dienstenmarkt  absoluut moest worden uitgediept. “Slechts 8 procent van de Europese kleine en middelgrote ondernemingen, zo betreurde de Commissie, doet zaken met andere lidstaten.” “Het is essentieel”, aldus de bevoegde Commissaris Michel Barnier, “dat we in deze crisistijden het groeipotentieel van een eengemaakte dienstenmarkt volledig ontsluiten”.

De onvoltooide interne markt (pdf versie) pdf - 364 KB [364 KB] français (fr)

Naar boven