BELANGRIJKE JURIDISCHE KENNISGEVING: Op de informatie op deze site is een verklaring van afwijzing van aansprakelijkheid en een verklaring inzake het auteursrecht van toepassing.

De Europese vlagEuropa
De Europese Commissie
esdadeelenfritnlptfisv
Landbouw

De landbouw in de landen van Midden- en Oost-Europa: huidige situatie en vooruitzichten

Polen

Beknopte samenvatting

Economische en politieke achtergrond

Polen neemt qua oppervlakte de negende plaats in Europa in. Het grenst aan zeven andere Europese landen en aan de Oostzee. Het grootste deel van het land is laaggelegen. Het klimaat is een overgangsklimaat tussen het continentale klimaat van Midden-Europa en het meer gematigde zeeklimaat van West-Europa. Dit kan onstabiel weer geven, en ook schommelingen in de duur van de seizoenen en in de landbouwproductie.

Het Poolse volk heeft in oktober 1992 een grondwetswijziging goedgekeurd, waardoor Polen een parlementaire democratie kon worden. De Sejm, het hoogste wetgevende orgaan, en de Senaat vormen de twee parlementaire kamers. De parlementsleden worden telkens voor een periode van vier jaar gekozen. De President, die voor een periode van vijf jaar wordt gekozen, vertegenwoordigt de staat.

Van 1993 tot 1997 vormden de Democratische Linkse Alliantie (SLD) - waarbij vele voormalige communisten zijn aangesloten - en de Poolse Boerenpartij (PSL) - waarvan vooral kleine boeren lid zijn - een regeringscoalitie. De regering stimuleerde privatiseringsprogramma’s en economische hervormingen, en streefde naar verbetering van het investeringsklimaat voor buitenlandse investeerders, met aandacht voor de kiezers in de landbouwsector. De coalitie werd in september 1997 bij de verkiezingen verslagen door de verkiezingsactiegroep van “Solidariteit” (AWS) en de “Vrijheidsunie” (UW). De AWS is de verkiezingsactiegroep van de vakvereniging “Solidariteit”, en vormt een koepelorganisatie die tot stand is gebracht om eenheid te brengen in de sterk versnipperde politieke rechtervleugel.

De Poolse economie had in de jaren 1990 en 1991 met een sterke recessie te kampen. In 1992 kwam daaraan een einde: het reële BBP steeg gestaag, wat een gemiddelde jaarlijkse groei opleverde van 5,3% in de jaren 1993-1995 en van 6,9% in 1997. De economie blijft snel groeien als gevolg van de degelijke macro-economische grondslag, nog verder versterkt door de tenuitvoerlegging van de nieuwe wetgeving betreffende de centrale bank en de financiële strategie van de nieuwe regering.

Sedert het begin van de economische hervorming in 1989 is de Poolse handel een andere koers ingeslagen. De belangrijkste structurele verandering in de Poolse handelsbetrekkingen is toe te schrijven aan het uiteenvallen van het COMECON-handelsblok. In 1997 ging 64% van de totale uitvoer van Polen naar de EU, en was 64% van de Poolse invoer afkomstig uit de EU. Polen is de zevende handelspartner van de EU. De laatste jaren is de Poolse uitvoer naar de andere landen van Midden- en Oost-Europa en Rusland sterk gestegen (momenteel 20 tot 24% van de Poolse uitvoer).

De jaarlijkse inflatie van de consumptieprijzen bedroeg in mei 1998 13,3%, en ligt dus nog steeds lager dan het percentage van februari 1998 (14,2%). Het ziet ernaar uit dat de inflatie tegen het eind van het jaar verder zal zijn gedaald tot beneden de 10%.

Het werkloosheidspercentage voor het hele land daalde van 13,2% eind 1996 tot 10,5% eind 1997. In stadsgebieden is de werkloosheid zeer laag (3%), maar in het noordelijke deel van Polen, waar staatslandbouwbedrijven ten onder zijn gegaan en verouderde fabrieken zijn gesloten, worden werkloosheidspercentages van meer dan 25% genoteerd.


Aandeel van de landbouw in de economie

Het aandeel van de landbouw in het totale BBP neemt af, hoewel het met ongeveer 6% in 1996 tegenover 12,9% in 1989, nog steeds relatief belangrijk is. Sinds het begin van de overgang maakt de landbouwsector een fase van recessie door, die is toe te schrijven aan een ongunstige ontwikkeling van de ruilvoet en aan een daling van de productie, met name in de veehouderij. Van de beroepsbevolking is nog 26,7% werkzaam in de landbouw. Dit percentage ligt zo hoog omdat er sprake is van een overbezetting en van verborgen werkloosheid in plattelandsgebieden. Het grote verschil tussen het BBP-aandeel en het aantal in de landbouwsector werkzame personen wijst echter op een zeer lage arbeidsproductiviteit, en laat zien hoe omvangrijk de deeltijd-landbouw is. Voor de belangrijkste producten is het land bijna voor 100% zelfvoorzienend.


Landbouwproductie

In de laatste jaren was de verhouding tussen plantaardige en dierlijke productie gemiddeld 55:45, maar er waren sterke schommelingen. Bij de afzet is de verhouding omgekeerd, aangezien plantaardige producten voor intermediair gebruik en voor eigen verbruik worden aangewend.

In 1996 werd van de totale oppervlakte van het land, namelijk 31,3 miljoen ha, 59% gebruikt als oppervlakte cultuurgrond, wat neerkomt op 18,5 miljoen ha. Akkerland heeft hierin verreweg het grootste aandeel, met 14,1 miljoen ha, gevolgd door weiden (2,8 miljoen ha), blijvend grasland (1,4 miljoen ha) en boomgaarden (0,26 miljoen ha). Het aandeel van akkerland in de oppervlakte cultuurgrond is ongeveer 76%, tegen 56% voor de EU-15. Slechts 3,3% van de grond geldt als goed; het overige deel bestaat meer uit zandgrond, wat in combinatie met geringe neerslag een groot effect heeft op de landbouwproductie.

Verreweg de belangrijkste gewassen zijn granen, met name tarwe en rogge; minder belangrijk, in volgorde van oppervlakte, zijn aardappelen, voedergewassen, suikerbieten, oliehoudende zaden en peulvruchten. Voor de meeste gewassen was de productie de afgelopen jaren lager dan vóór de overgang. De zelfvoorziening ligt voor de meeste gewassen doorgaans tussen 90 en 100%, behalve voor oliehoudende zaden (tussen 55 en 146%), waarvoor het areaal de laatste jaren aanzienlijk varieerde, en voor suiker, waarvan doorgaans een overschot voor uitvoer beschikbaar is. De sector groenten en fruit neemt 3% van het landbouwareaal en 10,3% van de productiewaarde van de landbouw voor zijn rekening. Er wordt in deze sector veel uitgevoerd, met name fruit en fruitproducten.

De economische omschakeling heeft de veehouderij sterker getroffen dan de akkerbouw. Met name de staatsbedrijven hebben hun veestapel ingekrompen en zich op gewassen geconcentreerd. Als gevolg van de inkomensdaling en de afschaffing van de consumentensubsidies is het vleesverbruik sterk gedaald.

De sector varkensvlees is aan de ergste neergang ontsnapt, maar er zijn toch enige jaren met schommelingen geweest, met name in verband met de hoge voederprijzen. Polen is één van de grootste varkensvleesproducenten in Europa. De productie van pluimvee heeft aanvankelijk zwaar te lijden gehad, maar heeft zich hersteld en is nu verreweg de meest dynamische sector.

Het aantal runderen en met name het aantal schapen werd drastisch ingekrompen. De daling van de rundvleesproductie is de afgelopen jaren afgezwakt. In de zuivelsector was er in 1997 voor het eerst weer een kleine productiestijging.


Handel in landbouwproducten

De landbouwproducten hebben een belangrijk aandeel in de totale buitenlandse handel : 13% voor uitvoer en 11% voor invoer in 1997. De totale handel in landbouwproducten is sinds 1992 voortdurend gestegen, maar de invoer ontwikkelde zich nog sneller. Ten gevolge daarvan is de handelsbalans voor landbouwproducten achteruitgegaan van + 971 miljoen ecu in 1990 naar - 418 miljoen ecu in 1997. Belangrijke uitvoerproducten voor Polen zijn levend vee, vlees en vleesproducten, zuivelproducten, verwerkte groenten en fruit, en suikerwerk. De invoer is meer gediversifieerd en omvat granen, oliehoudende zaden en vooral vers fruit (citrusvruchten), koffie, cacao en thee.

De Gemeenschap van de Vijftien is voor Polen de belangrijkste handelspartner voor landbouwproducten. Het aandeel van de EU neemt echter snel af. In 1989 was het aandeel van de EU in de Poolse uitvoer 60%, in 1997 was dat nog maar 39%. Uit officiële statistieken blijkt dat de handelsbalans van Polen met de EU voor landbouwproducten negatief is geworden. Vooral naar de voormalige Sovjetunie, de op een na grootste handelspartner van Polen, worden steeds meer Poolse producten uitgevoerd, met name verwerkte producten.


Structuur van de landbouwbedrijven

De landbouwbedrijven zijn klein en de veranderingen in de bedrijfsstructuur verlopen nogal traag. De gemiddelde bedrijfsgrootte is van 1988 tot 1996 slechts van 7 ha tot 7,9 ha gestegen, maar dat is wel sneller dan de tendens op langere termijn. Volgens prognoses zal tegen het jaar 2005 maximaal 40% van het landbouwareaal behoren tot bedrijven van meer dan 15 ha. In 1996 was het gemiddelde aantal melkkoeien per bedrijf 2,6, het gemiddelde aantal varkens 16.

Volgens het Ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening zijn op middellange termijn slechts 400 000 à 500 000 bedrijven (van de huidige 2,1 miljoen bedrijven) economisch levensvatbaar; dit wordt door andere studies bevestigd. Gezien echter de in vele regio’s bestaande sterke culturele gehechtheid aan “kleinschalige landbouw”, een bedrijfsvorm die vooral typisch is voor Zuidoost-Polen, zijn er geen belangrijke ontwikkelingen te verwachten in de grootte en in het aantal kleine bedrijven. Dit verschijnsel heeft een belangrijk sociaal effect. Als de bevolking op het land blijft op bedrijven die economisch steeds minder levensvatbaar zijn, zullen belangrijke maatregelen voor plattelandsontwikkeling moeten worden getroffen.

De landbouw was in Polen niet volledig gecollectiviseerd. De opeenvolgende communistische regeringen hebben uiteindelijk geaccepteerd dat het particuliere landbouwbedrijf de hoofdbron was voor de voedelproductie in Polen. Ongeveer 18% van het land was in handen van de staat. Het grootste deel van dit landbouwareaal is nog steeds niet door de staat verkocht, maar wel is het meeste ervan nu aan particulieren verpacht.


Plattelandsontwikkeling

Polen is grotendeels plattelandsgebied: slechts 19% van de bevolking woont in stedelijke gebieden. De plattelandsgebieden variëren sterk naar structuur, economie en bevolkingssamenstelling. De regio’s waar de staatslandbouwbedrijven overheersten, hebben veelal te kampen met hoge werkloosheid en behoren meestal ook tot de armste gebieden van het land. In de ”województwo’s” (provincies), waar de boerderijen kleiner zijn, is de verscheidenheid in de activiteiten van de plattelandsbewoners groter. De landbouw vertegenwoordigt 44% van de totale werkgelegenheid in de overwegend landelijke regio’s. Dit bijzonder hoge werkgelegenheidspercentage in de landbouw is één van de grootste uitdagingen waarmee Polen te maken heeft : het wil namelijk de landbouwsector moderniseren en herstructureren zonder de plattelandsgemeenschappen te vernietigen.

De plattelandsgebieden in Polen hebben te kampen met een aantal problemen die de ontwikkeling afremmen en het isolement van de plattelandsgemeenschappen nog versterken. Door de verspreide ligging van de plattelandsgemeenschappen is de aanleg van infrastructuur (water, gas, telefoon, riolering) en de dienstverlening (naschoolse onderwijsvoorzieningen, banken, vrije beroepen) moeilijk; doordat in de plattelandsgebieden onvoldoende vervoer beschikbaar is, wordt het verschil tussen deze gebieden en de stadscentra nog groter.

Algemeen gesproken is de landbouw in Polen minder intensief dan in de meeste lidstaten van de EG, en in de plattelandsgebieden bestaat een grote verscheidenheid aan wilde flora en fauna en aan habitats. Moderniseringsprogramma’s, investeringen en onderwijsvoorzieningen zullen ook leiden tot een groter gebruik van inputs naarmate de boeren hun productiviteit trachten te verbeteren.

De veehouderij is een belangrijke sector van de Poolse landbouw, maar ten gevolge van de economische omschakeling is de veebezetting sterk gedaald. 27% van de oppervlakte wordt beschouwd als “natuurgebied” of “extensief beheerd gebied”; ongeveer 11% daarvan is aangemerkt als van internationaal belang.


Toeleveranciers en afnemers

Na 1990 is, ten gevolge van de verslechterde verhouding tussen de prijzen van inputs en die van landbouwproducten, het gebruik van inputs - met name meststoffen, kalk en gewasbeschermingsmiddelen - sterk gedaald, maar er is een geleidelijk herstel waarneembaar.

De banksector in Polen is niet goed ontwikkeld, en is op het platteland, met 1 322 coöperatieve banken in 1997, sterk versnipperd. Er is een herstructureringsstrategie voorgesteld, waarbij langzaam vooruitgang wordt gemaakt. Ondanks deze problemen lijkt het erop dat de situatie verbetert.

De Poolse boeren gaan betrekkelijk weinig schulden aan voor de bedrijfsvoering, en plattelandsbedrijven gebruiken doorgaans hun eigen middelen om investeringen te financieren. Toch is een van de wijzen van landbouwondersteuning in Polen rentesubsidie voor goedgekeurde investeringen. In de begroting van 1998 werd het aantal kredietlijnen echter teruggebracht van 40 naar 8. Er wordt meer nadruk gelegd op de structuur van de productiemiddelen, zoals herstructurering en modernisering, dan op inputs zoals meststoffen en de aankoop van zaai- en pootgoed.

In een groot gedeelte van de voedingsmiddelenindustrie is er een dynamische overgang geweest naar privatisering, rentabiliteit en investeringen. Met name aan de kant van de kleinhandel. Het proces is veel langzamer verlopen in de sector “eerste verwerkingsstadium”, zoals het slachten, het malen en het invriezen. Daardoor kunnen de boeren niet optimaal profiteren van de toegenomen koopkracht van de consument.


Landbouwbeleid

In 1997 bedroegen de begrotingsuitgaven voor de landbouw 3,4 miljard ecu (9,8% van de totale uitgaven). Verreweg het grootste deel (72% van de landbouwuitgaven) is bestemd voor het sociale-zekerheidsstelsel voor de boeren.

De stabiliseringsmaatregelen van de interventieorganisatie worden toegepast voor tarwe, rogge, boter, magere-melkpoeder, varkensvlees en rundvlees, suiker, aardappelzetmeel, en af en toe honing en hop. De interventiemaatregelen zijn echter belangrijker voor de graan-, de zuivel- en de varkensvleesmarkt. Ter wille van de stabilisering van de markt is een marge vastgesteld waarbinnen de prijzen mogen schommelen. Deze referentieprijzen zijn de afgelopen jaren in reële termen gestegen.

Terwijl de Poolse uitvoer van landbouwproducten en voedingsmiddelen vóór de overgang vrij sterk werd gesubsidieerd, zijn sinds 1990 slechts zelden uitvoersubsidies verleend, die dan beperkt waren tot suiker, magere-melkpoeder, boter en varkensvlees.

Wat dierlijke producten betreft, is de prijs voor rundvlees in Polen slechts half zo hoog als die in de EU. Dit wordt gedeeltelijk verklaard door de slechtere kwaliteit en de lagere vraag in Polen, maar heeft uiteraard vooral te maken met de hogere garantieprijs in de EU. Voor varkensvlees en vlees van pluimvee zijn de prijzen vergelijkbaar; de lagere prijs voor varkensvlees in Polen heeft te maken met de doorgaans geringere kwaliteit van de geslachte varkens. De melkprijs in Polen is sinds 1993 gestegen, en bedraagt momenteel ongeveer 50% van de prijs in de EU. Voor melk van hoge kwaliteit (gelijkwaardig aan die in de EU) wordt door de verwerkers extra betaald, waardoor de prijs van de producent veel dichter komt te liggen bij de EU-prijs voor melk van gelijkwaardige kwaliteit.

Het handelsbeleid in de sector landbouw en voedingsmiddelen wordt gevoerd binnen het kader van een aantal multilaterale en bilaterale overeenkomsten, GATT/WTO, CEFTA, Europa-overeenkomst, en Vrijhandelsovereenkomsten met Litouwen en met Israël.

De door Polen gedane toezeggingen op het gebied van binnenlandse steun zijn uitgedrukt in dollar, en daardoor beschermd tegen de devaluatie van de zloty. Voor de totale geaggregeerde steun (Aggregate Measurement of Support (AMS)) geldt een limiet van 3,3 miljard dollar tegen het jaar 2000, een bedrag dat ruim kan worden genoemd gezien het hoge steunniveau in de referentieperiode 1986-1988. Het huidige peil van de binnenlandse steun ligt veel lager dan de verbintenissen over de maximumsteun die zijn aangegaan.

Uit berekeningen over het producentensubsidie-equivalent (PSE) kan worden opgemaakt dat Polen aan het begin van het omschakelingsproces in 1989-1990 van plan was een zeer liberale markteconomie met lage steunniveaus op te bouwen. Sedertdien versterkte Polen de grensmaatregelen en gelijkwaardige prijsondersteuningssystemen, vooral in verband met toenemende concurrentieproblemen ten gevolge van structurele tekortkomingen in de voedingsmiddelenindustrie. De steun aan de landbouwers gemeten als PSE en met name de MPS-component (Market Price Support, de prijsondersteuningscomponent) is dan ook gestegen.

Uit een vergelijking van het PSE van Polen en de EU kan worden opgemaakt dat de de producenten van landbouwproducten in de EU constanter een hogere steun genoten hebben dan die in Polen, zij het dat de Poolse landbouwers nu aanzienlijke steun genieten, in 1990-1991 impliciet te zijn.


Plattelandsbeleid

Sinds 1994 wordt plattelandsontwikkeling door de opeenvolgende Poolse regeringen steeds meer als een prioriteit erkend, in verband met de hoge werkloosheid in de landbouw, de behoefte aan modernisering en ontwikkeling van landbouwmethodes, en de behoefte aan nieuwe niet tot de landbouwsector behorende werkgelegenheid in plattelandsgebieden. In 1994 was plattelandsontwikkeling één van de tien belangrijkste doelstellingen van het ontwikkelingsplan van de regering.

Deze “strategie voor Polen” gaf voor het plattelandsontwikkelingsbeleid vier doelstellingen aan : dorpsvernieuwing inclusief het creëren van werkgelegenheid en het stimuleren van activiteiten buiten de landbouwsector; stimulering van de modernisering van landbouwstructuur en -methoden; ondersteuning van de ontwikkeling van de sociaal-economische infrastructuur zoals coöperaties, goederenmarkten, telefoon- en wegennetwerken en adviesdiensten voor de landbouw; en ten slotte erkenning van de natuurlijke waarde van dorpen. Het nationale programma voor de goedkeuring van het “acquis” dat onlangs door de Poolse regering is gepresenteerd, volgt in het kader van de “strategie voor Polen” dezelfde lijn met betrekking tot het plattelandsontwikkelingsbeleid. Er wordt momenteel gewerkt aan beleidsmaatregelen om landbouwbedrijven in probleemgebieden te steunen. De enige preferentiële behandeling die momenteel voor deze gebieden bestaat is een vrijstelling van de landbouwheffing voor land van de laagste kwaliteit (klassen V en VI)

De belangrijkste milieuproblemen in Polen zijn toe te schrijven aan de industrie en niet aan de landbouw, en hoewel Polen het eerste van de landen van Midden- en Oost-Europa was dat een nationaal milieubeleid ontwikkelde, zijn milieuproblemen als gevolg van de landbouw een probleem waaraan nog maar sinds kort serieus aandacht wordt besteed.


Vooruitzichten

Naar verwachting zal Polen zijn marktbeleid en structuurbeleid geleidelijk aanpassen aan het communautaire ‘acquis”. Grensmaatregelen zullen in overeenstemming blijven met internationale overeenkomsten.

De algemene economische situatie wordt gekenmerkt door een matige tot krachtige groei die een positief effect zal hebben op de vraag naar landbouwproducten.

De voedingsmiddelenindustrie zal zich sterk blijven ontwikkelen, met uitzondering van de sector “eerste verwerking” waar de ontwikkelingen ook in de toekomst langzaam zullen blijven verlopen.

In de landbouwsector mogen geen grote structurele veranderingen worden verwacht; de geringe omvang van de landbouwbedrijven blijft een bijzondere handicap voor modernisering. Dit is met name van belang voor grondgebonden activiteiten zoals akkerbouwgewassen en weidevee, maar in mindere mate voor de intensieve veehouderij en misschien ook voor de sector groenten en fruit.

Het graanareaal en de graanproductie zullen stijgen, maar daar staat tegenover dat veel daarvan zal worden gebruikt als veevoeder, in verband met de verwachte stijging van de dierlijke productie. Het aardappelareaal zal verder teruglopen. Het areaal voor raapzaad zal worden uitgebreid tot de omvang van vóór 1989, maar zal sterk worden beïnvloed door wisselvallige weersomstandigheden en prijsschommelingen op korte termijn. In dit geval zou Polen opnieuw een exportland kunnen worden. Naar verwachting kan de suikerproductie worden gereguleerd door de steunregeling (quota). Aangenomen wordt dat nu braakliggend land deels weer zal worden gebruikt voor de graanproductie, maar dat het grootste deel ervan zal worden bestemd voor herbebossing, voor gebruik als weideland, of braakland zal blijven.

De zuivelproductie zal naar verwachting langzaam toenemen, maar niet het niveau van vóór 1990 halen, de uitvoer zal op hetzelfde peil blijven. De productie van rundvlees zal zich waarschijnlijk niet herstellen, gezien de huidige prijzen en de daling van de vraag van de consument. De varkensvleesproductie, die het minst was getroffen door de economische omschakeling, zal een bescheiden groei kennen met enige uitvoer. De meest dynamische sector is de pluimveesector: er zijn al tekenen die wijzen op een zeer sterke groei, maar die is wellicht niet voldoende om aan de vraag van de consument te voldoen.


Top

Landbouw ] - [ Studies over de LMOE ]

Wat is nieuw?

Actuele onderwerpen

Index

Brievenbus

Zoekfunctie

Informatie

Uw opmerkingen